Ach, zo’n ramp is die stilte nou ook weer niet

David Lodge: Deaf Sentence. Harvill Secker, 294 blz. € 19,95

David Lodge: Deaf Sentence. Harvill Secker, 294 blz. € 19,95

Het is een puntige titel die David Lodge deze keer aan zijn roman heeft gegeven, hoewel niet helemaal raak: doodvonnis/ doof vonnis het lijkt grappig en toepasselijk genoeg. Bij Lodge is de samenhang niet verrassend: hij heeft altijd het vermogen gehad om onaangename en pijnlijke ervaringen in komedies te laten meespelen. Bovendien heeft de doofheid waar hij zelf aan lijdt en die hij aan zijn hoofdpersoon heeft doorgegeven, niet zo’n heel beklemmende greep.

Deze Desmond Bates kan twintig jaar na de eerste tekenen van gehoorverlies nog heel wat verstaan, zelfs zonder apparaten. De roman begint als een voorbeeldige komedie. Bates, emeritus hoogleraar in de taalkunde, net als Lodge, staat op een ontvangst aan zijn oude universiteit in Noord-Engeland geconcentreerd te luisteren naar een druk pratende jonge vrouw van wie hij ten slotte afscheid neemt met de verzekering dat ‘it’s been very interesting’ om met haar te praten. Wanneer zij hem een paar dagen later opbelt, heeft hij geen idee wie zij is en waar zij het over heeft.

In de volgende hoofdstukken, wanneer Bates vertelt over zijn gepensioneerde leven, speelt de doofheid niet zo’n dominante rol. Dan gaat het over zijn tweede vrouw die hij vaak best verstaat; en het gaat uitvoerig over de tweewekelijkse bezoeken aan zijn bejaarde vader, die in een vervallen flatje in Londen moppert over zijn ouderdom en over de wereld.

Na verloop van pagina’s komt de doofheid weer op de voorgrond. Op een borrel aan de universiteit vertelt een mevrouw over haar vakantie in Frankrijk, waar het zo warm was dat ‘we spent most of the time in our shit, the cows’ in-laws finding they stuttered’, wat bij navraag geweest blijkt te zijn ‘we spent most of the time in our gîte, cowering indoors behind the shutters.’

Moet de lezer geloven dat Bates die mededeling eerst letterlijk in zijn absurde vorm opving? Dat niet, natuurlijk. Het is een van Lodges manieren om de komedie van de doofheid te verlevendigen, wat hij ook heel effectief doet wanneer hij vertelt over zijn cursus liplezen. Dat wil niet zeggen dat hij zijn vooruitzichten luchtig opvat. Bates denkt ook na over de doofheid van Goya en van Beethoven, die beiden met geen komedie verzacht konden worden; ‘So what will I have to live for’, vraagt hij zich af, als ik niet meer met de mensen kan praten? Ook David Lodge denkt hier natuurlijk over na: in sommige passages in de ik-vorm zijn David Lodge en Desmond Bates haast niet te onderscheiden.

Tussen de autobiografische ervaringen van doofheid en van de bezoeken bij zijn vader heeft Lodge een aantal helemaal verzonnen verhalen gezet. Het voornaamste daarvan is het vervolg van de ontmoeting met de vrouw in de openingsscène. Zij is een Amerikaanse die een dissertatie wil schrijven in Engeland, en zij ontdekt dat Bates, hoewel emeritus, een betere begeleider zou zijn dan de hoogleraar die haar toegewezen is. Daar komen verwikkelingen van, zowel academische als persoonlijke.

Niet dat de autobiografische delen geen romanvorm hebben aangenomen. Zij klinken alleen anders en de lezer kan zich soms onderzoekend bezighouden met het onderscheid tussen waarheid en fictie. Dat is dan een manier van meedenken met de auteur, in een vertrouwelijkheid die hij makkelijk oproept.