Zien met je vingers is moeilijker dan je denkt

Mensen zijn slecht in het op de tast herkennen van afbeeldingen in reliëf, toont promovendus Maarten Wijntjes aan. Pas als ze het plaatje daarna zelf tekenen, begrijpen ze wat het is.

Maarten Wijntjes Foto Michael Kooren 270808, Universiteit van Utrecht, maarten wijntjes. © foto Michael Kooren. Utrecht Kooren, Michael

Margriet van der Heijden

De geblinddoekte proefpersoon op het filmpje krijgt 45 seconden, en hij mag alleen zijn rechterhand gebruiken. Behoedzaam tast hij ermee over het witte papier. De vraag is: welk voorwerp is daar, in reliëf, in gestanst?

Het bestaat uit slechts zes rechte lijnen, maar de hand van de proefpersoon glijdt over het hele vel. Zit er echt niks in de ruimte ertussen? „Het is een deur”, zegt hij dan, na driekwart minuut. „Een deur met een driehoekig gat erin.”

En ja, als de blinddoek af mag, wil hij die deur ook wel tekenen. Maar pas als de laatste lijn is neergezet – „hier is de deur, en dan was hier de driehoek...” – dringt het tot de proefpersoon door. „Oh, nu zie ik het. Het was een envelop!”

Het filmpje staat op de website van Maarten Wijntjes, en hoort bij diens onderzoek naar beeld herkennen op de tast. Aanstaande dinsdag promoveert hij erop aan de Universiteit Utrecht, bij de faculteit natuurkunde.

U promoveert als fysicus, maar dit onderzoek klinkt eerder psychologisch?

„Ja, dat klopt. Het is ook gepubliceerd in een vakblad voor psychologen. Maar ja, soms kom je iets tegen dat te leuk is om te laten lopen.”

Dit was maar een deel van uw onderzoek; waarover gaat de rest?

„Ik zit in de groep van Astrid Kappers die bij de faculteit natuurkunde de tastzintuiglijke waarneming onderzoekt. Dat kun je doen door natuurkundige stimuli te beschrijven zoals het materiaal en de vorm. Maar je kunt je ook afvragen hóé mensen die wiskundig en natuurkundig goed gedefinieerde voorwerpen waarnemen; dan kom je terecht in de psychofysica. Mijn onderzoek ging er vooral over hoe mensen op de tast tweedimensionale vormen herkennen.”

Hoe kwam u erop om met lijntekeningen te gaan werken?

„Wanneer je achteraf over je werk schrijft, wil je als onderzoeker graag doen alsof je vooraf diep hebt nagedacht en de uitkomst al verwachtte. Maar eigenlijk ontstond het idee bij toeval. We gebruikten vaak lijntekeningen bij demonstraties op open dagen, en we merkten dat mensen heel vaak zeiden dat ze het voorwerp op de tekening pas herkenden, als ze het eerst zelf op een papiertje hadden nagekrabbeld. Dat deed denken aan het ‘natekeneffect’ en dat ben ik toen verder gaan onderzoeken.”

Wat is het natekeneffect?

„Het natekeneffect is bekend uit twee gevallen. In het ene gaat het om het interpreteren van de rabbitduck-figuur, een getekend figuurtje dat zowel een eend als een konijn voorstelt. Proefpersonen die er maar twee seconden naar mogen kijken, zien er daarvan eentje: óf het konijn, óf de eend. En als je ze daarna vertelt dat er nog een andere interpretatie van de figuur mogelijk is, slagen ze er niet in zich die voor de geest te halen. Zo’n herinterpretatie lukt hen pas, als ze het figuurtje op een stuk papier hebben nagetekend.”

En wat is het andere geval?

„In het andere geval gaat het om het visualiseren van gesproken instructies. Zoals: neem een hoofdletter D in gedachten, en kantel die 90 graden, tegen de klok in. Plak nu, ook in gedachten, aan de onder kant een hoofdletter J vast. Wat zie je dan?”

Een paraplu...

„Ja, dit lukt de meeste mensen wel. Maar wanneer je de instructies iets moeilijker maakt, blijkt weer dat mensen schetsen nodig hebben.”

En nu heeft u laten zien dat zoiets ook geldt bij het herkennen van lijntekeningen op de tast?

„Ja, en dat laat weer zien dat wij er niet goed in zijn om uit losse, na elkaar verzamelde gegevens, een beeld op te bouwen. Dat wij er dus slecht in slagen om beelden als het ware te projecteren op een intern beeldscherm in ons hoofd.”

Zal dit gegeven tot toepassingen leiden?

„Eigenlijk zijn die toepassingen er al. Het zijn de schetsjes die wij maken. Neem de wiskundigen en theoretische natuurkundigen die formules en figuren op een schoolbord krabbelen en ze pas dan, met enige afstand, kunnen doorgronden. Die compenseren zo ook voor het tekortschieten van mentale processen om voorwerpen te visualiseren. Al zijn er natuurlijk altijd wel een paar mensen te vinden die er juist weer geniaal goed in zijn.”

Filmpjes van de proefpersonen in Wijntjes’ onderzoek zijn te zien via www.nrc.nl/wetenschap.

    • Margriet van der Heijden