Waar was ú in de jaren tachtig?

Duyvendak is al weg, Cramer ligt onder vuur, net als de kraakbeweging.

Nederland is al sinds het begin van deze eeuw op oorlogspad met zichzelf.

Er hing ondergang in de lucht. De jaren tachtig waren somber. Hele volksstammen middelbare scholieren, die waren geboren rond het ‘revolutiejaar’ 1968, kenden de tekst van de meest apocalyptische song in de Nederpop uit hun hoofd. Het lied ‘De bom’ uit 1982 van Doe Maar, een band die in de jaren zestig ‘sex, drugs en rock ’n roll’ had gevierd, net als de eigen ouders. Ze zongen het vanzelfsprekend mee.

„Carrière maken, voordat de bom valt.

Werken aan mijn toekomst, voordat de bom valt.

[...] Je moet nog huiswerk maken, voordat de bom valt.

Een diploma halen, voordat de bom valt.”

Zinloos was het allemaal wel.

„En als de bom valt

Dan lig ik in mijn nette pak, diploma’s en mijn cheques op zak.”

Nederland verkeerde in de jaren tachtig in een crisis. Politiek, omdat Amerika en Rusland bezig waren elkaar met kruisrakketen en andere kernwapens kapot te concurreren. Ideologisch, omdat er geen alternatieven meer waren nu de waarheid over de Chinese leider Mao onloochenbaar was geworden en de Sovjet-Unie buurland Afghanistan was binnengevallen. Economisch, omdat er geen einde leek te komen aan faillissementen, massaontslagen en overheidsschulden. Technologisch, omdat de nieuwe uitvindingen als pc en cd nog niet voor gewone mensen beschikbaar waren. Moreel, omdat het enige Nederlandse woord dat overal ter wereld werd begrepen „apartheid” was. En democratisch, omdat het speelse kat-en-muis-spel tussen politie en activisten sinds de gewelddadige rellen bij de inhuldiging van koningin Beatrix op 30 april 1980 bloedige ernst was geworden.

De jaren zestig waren „ludiek” geweest. Provo’s strooiden in 1966 met krenten en rookbommen om „establishment” én „klootjesvolk” te tarten. De jaren zeventig waren politiek geweest. Premier Joop den Uyl zelf leidde in 1974 een demonstratie tegen de Spaanse dictator Franco, die op zijn sterfbed nog tegenstanders aan de wurgpaal wilde laten executeren. Maar de jaren tachtig bleken bitter. Toen burgemeester Ed. van Thijn van Amsterdam in december 1984 een bezoek wilde brengen aan de Staatsliedenbuurt, werd hij door krakers en ‘autonomen’ verjaagd. „Van Thijn, zwijn, we krijgen je wel klein”, scandeerden ze, „jullie rechtsorde is de onze niet”. Het nihilisme leek een greep naar de macht te doen. De climax daarvan was de fysieke aanval op de xenofobe politicus Hans Janmaat in een hotel in Kedichem, een actie in 1986 waarbij diens vrouw invalide werd.

Met dit decennium wordt nu afgerekend.

Waarom? Het aantal verklaringen is legio. Ten eerste is er met alle andere decennia in Nederland nu onderhand wel afgerekend. In de hippe jaren zestig werd afgerekend met de burgerlijke jaren vijftig. In de gepolariseerde jaren zeventig en tachtig was het de beurt aan de collaborerende jaren dertig/veertig. De afrekenaars moeten dus omzien naar een nieuwe periode die zo aan bod kan komen. Nederland is het land van de „verworpen tijdperken”, constateerde de Amerikaanse historicus James Kennedy, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, vier jaar geleden al.

Dankzij internet is het bovendien makkelijk geworden om het verleden tot leven te brengen, zonder daarop met een nuchter historische blik te hoeven reflecteren. In het virtuele circuit is alles te bewaren en op te zoeken. En er verjaart nooit iets. Zo is de lijst met handtekeningen onder de gewraakte steunbetuiging aan het actieblad Bluf! op nrc.nl voor iedereen te raadplegen.

Maar er is meer. Nederland is al zeven jaar op oorlogspad met zichzelf. Sinds de laatste vooroorlogse generatie zich uit het openbaar bestuur heeft teruggetrokken – denk aan VVD-leider Frits Bolkestein die in 1998 uit de politiek ging en aan PvdA-premier Wim Kok die dat vier jaar later deed – wordt er afgerekend dat het een lieve lust is. Pim Fortuyn maakte korte metten met Hans Dijkstal (VVD) en Ad Melkert (PvdA), voordat de typische ‘tachtiger’ Volkert van der Graaf nog kortere metten met hem maakte. Die moord op Fortuyn in 2002 markeerde de omslag naar een nieuw en somber decennium. Trefwoorden: de aanslagen van 9/11 (2001), de mislukte bevrijding van Irak (2003), de moord op Theo van Gogh (2004), de door Rita Verdonk geëntameerde ‘uitburgering’ van Ayaan Hirsi Ali (2006), de kredietcrisis (2007) en, vooruit, de oorlog in de Kaukasus (2008).

Het voorspoedige economische herstel van de laatste jaren, die trouwens alweer voorbij is, kan deze naargeestige signalen niet of onvoldoende vergulden. Voor het eerst sinds de jaren tachtig moeten ouders en aanstaande ouders er rekening mee houden dat hun kinderen het slechter krijgen dan zij zelf.

Er hangt weer ondergang in de lucht. Net als in de jaren tachtig verkeert de samenleving ook nu in een sombere en bittere bui. Het valt daarbij op dat een deel van de afrekenaars van nu de jaren tachtig zelf actief hebben meegemaakt.

Zo heeft Peter Siebelt – de auteur van onder meer de boeken RaRa, wie ben ik (2003) en Sinistra. Politieke maffiosi op Haags, provinciaal en gemeentelijk niveau (2006), aan wiens oeuvre thans veel wordt gerefereerd – in die jaren tachtig last gehad van de radicale ‘autonome’ beweging. Jong is Siebelt dus niet.

En toen Wijnand Duyvendak begin deze maand opriep tot een „debat” over het activisme in de jaren tachtig, waren enkele tijdgenoten er als de kippen bij om voor de camera toe te lichten dat hun voormalige geestverwant indertijd een harde jongen was. Een kwart eeuw geleden zou dat als verraad zijn gezien.

Vermoedelijk is er in die jaren een hoop wrok opgebouwd. Wrok bij buitenstaanders die toen niet populair waren, omdat ze bijvoorbeeld liever op disco dansten dan op punk de pogo deden. Wrok bij tegenstanders, omdat zij toen de krant en de televisie niet haalden. Wrok bij geestverwanten, omdat ze de maatschappelijke sprong voorwaarts niet hebben gemaakt.

Twee dingen weten we zeker. Ten eerste: de wrok van toen is groter dan de wroeging van nu. En ten tweede: ook de generatie van de jaren negentig, die nu via GeenStijl haar steentje bijdraagt aan de afrekening of er geamuseerd dan wel verwonderd naar kijkt, komt een keer aan de beurt. Niet iedereen heeft in die roaring nineties immers ongevraagd vrolijk mogen meefeesten. Ook in die partyjaren is er een dosis rancune opgebouwd, die ooit een uitweg zal zoeken.

De weerzin die de club Niet Nix, die in de jaren negentig binnen de PvdA een weg zocht, tien jaar later nu soms oproept, is een voorbode. Misschien dat hun toenmalige voorman Lennart Booij zich eergisteren daarom in de Volkskrant bekeerde tot „burgerlijk conformisme”. Dat deed hij twee weken nadat dezelfde krant in een hoofdredactioneel commentaar had vastgesteld dat niet alleen in autoritaire staten, zoals de Sovjet-Unie of China, maar ook in de rechtstaat Nederland „politieke delinquenten” bestaan. En tevens dat die nu hun toevlucht hebben gezocht bij GroenLinks, dezelfde partij die minister Cramer in de jaren negentig juist de rug toekeerde ten gunste van de PvdA. Zoekt Booij alvast dekking?

Who’s next?

Hubert Smeets (1956) is redacteur van NRC Handelsblad en nrc.next en oud-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer. Hij was in de jaren tachtig verslaggever voor NRC in Amsterdam.

    • Hubert Smeets