Van kistkalveren naar troeteldier

Eens stond het bedrijf model voor de kistkalverensector van Nederland. Nu staat het model voor dierenwelzijn. Portret van een reus onder de vetmesters van kalveren. En meer dan dat.

Vleeskalveren leven tegenwoordig in kleine groepen. De stal van boer Wim Thomassen op de Utrechtse Heuvelrug. Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold overberg kalfvleesbedrijf foto rien zilvold Zilvold, Rien

Nog niet zo lang geleden waren de vetmesters van kalveren de gebeten hond onder de boeren. „Vroeger schaamden we ons deels voor het houden van kalveren”, zegt Henny Swinkels, directielid van het grootste kalfsvleesbedrijf van Europa, de Van Drie Groep, „nu zijn we trots.”

Tot eind vorige eeuw werden kalveren in kisten snel vetgemest voor een blank stukje vlees. Bert van den Berg van de Dierenbescherming: „Blank kalfsvlees associëren mensen met een jong dier dat alleen melk drinkt en dus zacht vlees levert.” De kistkalveren werden symbool van alles wat mis was met de intensieve veehouderij. Dat is verleden tijd. Kistkalveren zijn verboden.

90 procent van de Nederlandse kalfsvleesproductie gaat de grens over. Eén gigant domineert deze markt: het bedrijf van de familie Van Drie (1,7 miljard euro omzet), dat een kwart van de Europese markt in handen heeft. In Nederland zelfs tweederde van de markt. Drie andere bedrijven moeten de rest delen.

De kalveren komen van de melkveehouders. Slechts een kwart van de Nederlandse kalfjes is nodig voor het in stand houden van de melkveestapel. Van Drie koopt de rest, stalt ze bij gespecialiseerde vetmesters, slacht ze vervolgens in eigen slachterijen en exporteert het kalfsvlees, vooral naar Italië, Frankrijk en Duitsland. Van Drie heeft de hele keten, van boerderij via voerproductie tot vleesverwerking, geïntegreerd, zodat het bedrijf de volledige controle heeft.

Het is een lucratief model, dat navolging vindt in andere sectoren in de veeteelt, zoals de varkensfokkerij. Van Drie heeft contracten met zo’n 1.200 kalverhouders, die de kalveren in zeven tot twaalf maanden vetmesten. En niet langer in kisten.

„Van Drie, dat wás de kistkalverensector”, zegt Jan Staman, directeur van het Rathenau Instituut. Staman leidde in 1997 als ambtenaar van het ministerie van Landbouw de Europese onderhandelingen in Brussel over een verbod op kistkalveren tijdens het Nederlandse voorzitterschap. „Toen ik rond die tijd een verhaal over dierenwelzijn voor de kalvermesters hield, waren ze des duivels dat wij in Brussel zeiden dat kistkalveren moesten verdwijnen. Ze hadden alleen maar defensieve argumenten. Ze zeiden dat ze niet anders konden, want de markt vroeg erom. Maar ze konden wel anders. De sector is nu volledig veranderd en heeft een verhaal dat klopt. Ze verhouden zich nu heel anders tegenover de burger. Het is een schoolvoorbeeld van hoe een sector kan veranderen als die een positieve houding aanneemt.”

Luisteren naar geluiden uit de samenleving is een van de belangrijkste zaken voor een ondernemer in de voedselsector, verklaarde Swinkels dit jaar tijdens een symposium voor de vleessector. Maatschappelijk verantwoord ondernemen was volgens hem twintig jaar geleden uit nood geboren. Het beeld was toen uitsluitend negatief: kistkalveren, hormonen, dichte stallen. Swinkels zei: „Het ging zo slecht dat de vraag opkwam of we wel een toekomst hadden. We moesten uit die spiraal komen. We moesten een einde maken aan onze geslotenheid en zien dat we weer geaccepteerd konden worden door de samenleving.”

In 1997 kregen de Europese boeren tien jaar om over te schakelen van kisten naar groepshuisvesting. Sinds vorig jaar is er een volledig verbod op kisten – in de hele Europese Unie. Kalveren leven nu in kleine groepen van zes à acht dieren en hebben enige ruimte om te lopen. Zoals bijvoorbeeld in de half open stal op de vestmesterij van Wim Thomassen in Overberg op de Utrechtse Heuvelrug. De dieren komen niet buiten in een weiland, dus het blijft wel een vorm van intensieve veehouderij. Maar vreedzaam en zonder stress wachten de jonge dieren aan het einde van de dag op de melkkraan die weer opengaat.

Zijn de voordelen van maatschappelijk verantwoord ondernemen ook voor de ondernemers concreet op te sommen? Swinkels zegt dat het lastig is dat in getallen weer te geven, maar komt dan toch met een lijstje: „We hebben een verhoogde productiviteit door een positieve werksfeer en een lager ziekteverzuim. We halen directe winst door energiebesparing: 12 procent in 2007. We hebben een streepje voor bij kredietverstrekkers en we hebben een lager risico voor imagoschade.”

De ketenintegratie van Van Drie maakt ook het leven van boer Thomassen stressvrij. „Ik schat dat zo’n 80 procent van mijn inkomen vastligt”, zegt hij. Terwijl de prijzen van bijvoorbeeld graan en zuivel sterk fluctueren en boeren in die sectoren regelmatig in het nieuws komen omdat ze het niet eens zijn met de prijzen, houden kalverhouders zich stil. Want bedrijven als Van Drie dragen het risico van de prijsschommelingen voor kalveren en kalfsvlees.

Van Drie koopt de twee weken oude kalveren, transporteert ze van de melkveeboer naar de kalverhouder en haalt ze een maand of acht later weer op voor de slacht. Veevoer komt uit fabrieken van Van Drie en ook de dierenarts komt via het bedrijf. Het werk van de kalverhouder is het vetmesten van de kalveren voor een vaste vergoeding per dier. Gespecialiseerde vleeskalfbedrijven hebben zodoende een uitermate stabiel inkomen in vergelijking met andere boeren, zo bevestigen ook cijfers van het Landbouw Economisch Instituut.

Sluit Van Drie wellicht wurgcontracten af omdat boeren toch met handen en voeten aan het bedrijf gebonden zijn? „Nee”, zegt Hans de Bie, sectormanager veehouderij van Rabobank Nederland, „met het aanbieden van wurgcontracten is helemaal niemand geholpen. Wel kan een boer meer verdienen als hij betere technische prestaties levert.” Dat wil zeggen als hij dieren levert van een meer dan gemiddelde kwaliteit en gezondheid.

„Wij geloven in het gezinsbedrijf”, zegt Rob de Way, directeur van de Van Drie-slachterij Ekro in Apeldoorn, over het fundament onder de onderneming. De gedachte is logisch. De handelswaar van Van Drie is levende have. De dieren hebben 24 uur per dag en zeven dagen per week zorg nodig. Deze zorg is in betere handen bij boerengezinnen die een eigen verantwoordelijkheid dragen en het verschil tussen goed en slecht werk in hun portemonnee voelen, dan bij anoniem personeel in ploegendiensten op nog grotere bedrijven. „Een dier presteert beter als de mens er respect voor heeft”, zegt Swinkels. „Men moet niet onderschatten hoe groot het belang van ‘respect’ voor deze hele onderneming is. Ook voor de winst.”

De sector gaat heel bewust om met de eigen verantwoordelijkheid, beaamt De Bie van de Rabobank. „Zoals vermindering van de risico’s van dierziekten of terugdringing van medicijngebruik. Het imago is heel belangrijk om te mogen produceren en te kunnen blijven exporteren. De kalversector zet zich goed op de kaart.”

Is er dan geen enkel punt van kritiek meer op de kalversector? Er is verbetering mogelijk op een aantal punten, zegt Bert van den Berg van de Dierenbescherming, zoals voeding, de slaapplek in de stal en transport van de heel jonge kalveren naar de vetmesterij. „Van Drie haalt de kalveren nu uit heel Europa”, zegt Van den Berg, „en het transport is slecht voor luchtwegen en veroorzaakt diarree.” Van Drie is namelijk zo succesvol en zo dominant op de Europese kalfsvleesmarkt dat het bedrijf niet genoeg heeft aan de kalveren van de Nederlandse melkveehouders. Ongeveer de helft van de kalveren die in Nederland worden vetgemest, wordt dan ook geïmporteerd.

Op al deze punten van kritiek werkt Van Drie aan verbetering, riposteert Swinkels. Zo introduceert het bedrijf nu volledig klimaat gecontroleerde transportwagens voor de import van de twee weken jonge dieren om de gezondheidsproblemen te vermijden. „Het is de taak van de Dierenbescherming om continu op verbetering te hameren”, zegt Swinkels, „en daar werken we ook aan. Maar het blijft een kwestie van voortschrijdend inzicht.”

Van den Berg is niet ontevreden over de inspanningen van Van Drie: „Ook al zijn we het niet altijd met elkaar eens, het is een open bedrijf en ze hebben ons nooit iets voorgespiegeld wat niet bleek te kloppen.”