No way

Hillary moet zich verheugd hebben op deze zin in haar toespraak afgelopen dinsdag: ‘No way, no how, no McCain.’ Het kwam er in ieder geval heel krachtig uit. Als een drietrapsraket.

Maar dat ‘no way’ klonk toch wat raar, in mijn oren dan. En dat komt omdat ‘no way’ allang is overgenomen in Nederland, maar niet door de mensen die er echt toe doen.

In Nederland zul je een serieus politicus niet zo snel ‘no way’ horen zeggen. ‘We gaan dus echt no way afstappen van die Joint Strike Fighter. No way.’ Dat klinkt niet.

‘No way’ is in Nederland het bezit van jonge mensen die zich intensief hebben laten inspireren door Amerikaanse televisieseries. Ik zie een student voor me, een meisje, met een blije paardenstaart. Ze zegt bijvoorbeeld: ‘Ik ga écht niet nog een keer dat tentamen doen, no way!’ Of: ‘No way! Ben je met hem naar bed geweest? No. Way.’

Er zijn meer Amerikaanse uitspraken die thuishoren in deze categorie: ‘En toen had ik echt zoiets van, whatever, dan doe je het toch lekker allemaal in je eentje.’

Of deze, nog redelijk recent geïmporteerde: ‘Mijn ouders moeten maar accepteren dat ik rook, ik bedoel, ik ben geen kind meer, talk to the hand weet je.’

Of deze, voor de meer opgeruimde momenten van het leven: ‘Enniewee, gaan we nog koffie doen?’

Omdat zulke Amerikaanse uitroepjes in Nederland behoren tot het domein van de jonge mensen zonder macht, klonk het bij Hillary ineens ook een beetje kinderachtig. Alsof ze elk moment haar haar van de ene naar de andere kant zou kunnen gooien en zeggen: ‘Nou ja, whatever.’

Waarbij het volgende zij opgemerkt: de ‘no way’-zeggende studentenmeisjes beheersen over een jaar of tien natuurlijk wél de Nederlandse politiek, dus dan gaan we ‘no way’ vanzelf ook serieus nemen.

Paulien Cornelisse behandelt elke week een actueel en opmerkelijk taalfenomeen