Niet altijd weer hetzelfde oude liedje

Teksten van oude liederen veranderen voortdurend. Omdat nieuwere generaties ze niet meer begrijpen? Volgens nieuwe inzichten zijn die veranderingen juist een teken van vitaliteit.

De Amerikaanse schrijver Borden Deal zingt voor zijn gezin. Als liedjes worden overgedragen, verandert er vaak van alles in. Foto AP Borden Deal, novelist, plays guitar, as his wife, Babs, and children sit by his side Boy is named Brett. Older daughter is named Ashley. Younger Daughter is named Shane. (AP Photo) Associated Press

Het middeleeuwse liedje ‘In oostland wil ic varen’ werd veertig jaar geleden nog op het platteland gezongen, in een vorm die ver afstond van de versie die in de Middeleeuwen was opgeschreven. Op Terschelling begon het liedje in 1966 zo: ‘Naar het Rozeland zo zijne wij gevaren...’

Vroeger dacht men dat die middeleeuwse liedjes waren ‘kapotgezongen’, afgebrokkeld, vervlakt. Ze waren van generatie op generatie overgedragen en daarbij was van alles misgegaan. Men vergat gedeeltes, onthield dingen verkeerd, begreep bepaalde passages niet meer. Maar tegenwoordig groeit het besef dat orale teksten altijd in beweging zijn – wat geen teken van verval is, maar juist van vitaliteit.

Dat vinden ook de samenstellers van het boek De fiere nachtegaal, dat dinsdag gepresenteerd werd. Het is een publicatie rondom de Liederenbank, een interactief archief van 125.000 liederen door de eeuwen heen, waar nog altijd vlijtig aan gewerkt wordt.

„Een van de vragen die ons nu bezighoudt”, zegt Louis Grijp, een van de samenstellers, „is: wat is de persoonlijke inbreng van de zanger in dat orale proces? Zelf hebben ze vaak het gevoel dat ze het lied precies zo zingen als ze het geleerd hebben. Als je het opneemt en je vraagt ze later om het nog een keer te zingen, dan komt het er weer anders uit. Maar voor hun gevoel is dat precies hetzelfde. Kennelijk zijn die variaties niet wezenlijk. De vraag is: wat is dan wel de wezenlijke inhoud van zo’n lied? Daar proberen we een antwoord op te vinden. Dat is wetenschappelijke nieuwsgierigheid, maar er zit ook een praktische kant aan. We zoeken bijvoorbeeld naar een computeroplossing voor het probleem dat je een melodie in je hoofd hebt, maar niet weet welk lied dat is. Je wilt die melodie in de computer invoeren, in noten of neuriënd – want dat kan tegenwoordig ook – en dan moet de computer daar de tekst bij geven. Het probleem is dat je de melodie nooit precies weet, daar zit altijd een beetje variatie in. Je wilt dat de computer daar rekening mee houdt.”

De vraag is dus: wat verandert er gemakkelijk in een lied en wat is juist vrij bestendig?

Grijp: „Het idee is: je slaat bepaalde elementen in je geheugen op en uit die elementen construeer of reconstrueer je, net hoe je het wilt noemen, de tekst. De belangrijkste elementen zijn de verhaallijn, de melodie en iets wat je ‘de vorm’ zou kunnen noemen. Een heleboel liederen hebben in de loop der tijd een heel andere melodie gekregen, dus dat is gek: de melodie zou een belangrijk element zijn in het onthouden van die teksten, maar de melodie is zelf ook weer veranderd, hoe kan dat? Het antwoord zou kunnen zijn dat ook de melodie weer een abstractie heeft, namelijk ‘de vorm’: het aantal regels van een strofe, de plaatsing van het rijm, het aantal accenten. De melodie helpt je om die abstracte formele kenmerken vast te houden. Maar op een gegeven moment wordt die melodie vervangen door een andere, bijvoorbeeld omdat men de oude melodie te ouderwets vond: dan wordt er een moderne melodie ondergezet, die wordt een beetje aangepast en zo gaat die abstracte formele informatie netjes over naar de nieuwe melodie. Zoiets moet het zijn.”

De meest avontuurlijke bijdrage aan dit boek komt van een Hongaarse neerlandica: Anikó Daróczi. Zij heeft gekeken naar de mystieke gedichten van Hadewijch. Dat dit in feite liederen zijn, is al langer bekend. De teksten van Hadewijch zitten razend knap in elkaar. Toch heeft de zinsbouw en het bezwerende ritme ervan ook iets geïmproviseerds, stelt Daróczi vast.

Ze vergelijkt de stijl van Hadewijch daarom met een levend stukje orale cultuur in Hongarije: sommige Hongaarse vrouwen beheersen een heel repertoire van klaagliederen en kunnen daarnaast ook intens emotionele rouwliederen improviseren, waarin ze variëren op vaste vormprincipes. De gebondenheid aan die vorm is geen beperking: het stelt de zangeres juist in staat om zich heel vrij te bewegen, en zo haar diepste gevoelens uit te drukken en anderen daarin te laten delen. Deze emotioneel-orale structuur ziet Daróczi terug in de religieuze poëzie van Hadewijch. En ook in haar brieven.

Is een brief schrijven dan ook een beetje improviseren? Grijp: „Je moet goed beseffen: middeleeuwse brieven werden niet stilletjes gelezen. Ze werden voorgelezen. Boeken, brieven en wat voor geschreven teksten dan ook, waren in die tijd voorleesteksten, waar allerlei mensen naar zaten te luisteren. Dus ook in de geschreven literatuur van de Middeleeuwen is oraliteit een belangrijke dimensie.”

Louis Grijp en Frank Willaert (samenstellers): ‘De fiere nachtegaal. Het Nederlandse lied in de middeleeuwen’. Amsterdam University Press. 376 blz., € 34,50.

De Liederenbank is te vinden op: www.liederenbank.nl

    • Berthold van Maris