Kijk! Dit is ‘onze’ nationale cultuur

De Uitmarkt dit weekend vormt het startschot van het nieuwe culturele seizoen.

De opening wordt overschaduwd door de nieuwe verdeling van subsidiegeld.

De Nachtwachtzaal in het Rijksmuseum in Amsterdam. Foto Maurice Boyer Verbouwing van het Rijksmuseum, Nachtwachtzaal Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 070628 Boyer, Maurice

Wie een dezer dagen de krant openslaat, zou kunnen denken dat cultuur alleen een kwestie van subsidiegeld en ruzie is. De enorme menigten die zich dit weekeinde door het oostelijk havengebied van Amsterdam over de Uitmarkt wurmen, bewijzen anders. Er is wel degelijk veel belangstelling voor cultuur in Nederland, vooral wanneer het mooi weer is, en gratis is.

Alleen wanneer organisatie en subsidie in het geding komen, gaat het anders en verdwijnt de vrolijkheid. Cultuur is maar een klein deel van de Rijksbegroting, en toch vloeit er naar aanleiding van die kunstsubsidies elk jaar veel meer kranteninkt, dan naar aanleiding van – bijvoorbeeld – de veel omvangrijker uitgaven inzake de aanschaf van Defensiematerieel.

En dit jaar in het bijzonder. De organisatiestructuur waarmee de Rijkssubsidies vierjaarlijks worden verdeeld is – ten opzichte van vier jaar geleden – nogal veranderd, met de bedoeling het systeem te vereenvoudigen. In werkelijkheid is alles er natuurlijk veel ingewikkelder, en nóg meer omstreden op geworden.

Vroeger was er de Raad voor Cultuur, die eens in de vier jaar advies uitbracht aan de minister: wie geld en wie niet, wie minder en wie meer. De Raad deed dat voor iedereen die geld van het Rijk kreeg – van het grootste Concertgebouw tot de kleinste poppenspeler.

Nu doet de Raad dat nog alleen maar voor grote kunstinstellingen die geacht worden ook internationale uitstraling te hebben: het Concertgebouw dus, of Het Nationale Ballet, of het Rijksmuseum. Deze instellingen krijgen een plek in de zogeheten ‘basisinfrastructuur’ – het woord geeft al aan dat dit idee niet uit kunstzinnige breinen, maar uit die van dorre ambtenaren is voortgekomen.

De beslissing of al die andere groepjes, plekken, gezelschappen of kunstondernemingen geld krijgen is overgelaten aan nieuwe organismen die – ook al niet romantisch – ‘sectorinstituten’ heten. Het zijn nieuwe instellingen waar over het algemeen kunstenaars in commissie-verband (en betaald uiteraard) beslissen of, en indien ja hoeveel, collega-kunstenaars subsidie zullen ontvangen. Dat zij het in de ogen van die collega’s die buiten de boot vallen verkeerd hebben gedaan, of zelfs te kwader trouw zijn of onzorgvuldig, wekt in zo’n systeem eigenlijk niet zo’n verbazing.

Het is ook, op een bepaalde manier, een erg Nederlands systeem. Het heeft iets gezelligs, familie-achtigs. Er zijn natuurlijk in theorie wel andere manieren om het overheidsgeld voor cultuur te verdelen: door ambtenaren op een ministerie bijvoorbeeld, aan de hand van de voorkeuren van de zittende minister van het moment. Of door middel van loting – het Filmfonds heeft daarmee vorig jaar een proef genomen: wie er het eerst bij was aan het loket, kwam voor subsidie uit een bepaald potje in aanmerking. Of je zou ook aan een automatisme kunnen denken: wie in de vorige periode een bepaald rendement of succes heeft geboekt op zijn terrein, krijgt in de nieuwe ronde automatisch een veelvoud van zijn rendement uitgekeerd, en hij kijkt maar wat hij er mee doet om nieuwe successen te boeken.

Maar tegen zulke formules als loting, politieke willekeur of automatisme verzet zich kennelijk toch iets in de volksaard. Zeker krijgen gesubsidieerde instellingen allerlei richtlijnen opgelegd ten aanzien van rendement, het binnenhalen van sponsorgelden, of meestal versluierde politieke eisen als het binnenhalen van jeugd of allochtonen. Wat tegenwoordig als één van de grote problemen van onderwijs of gezondheidszorg wordt gezien – het oerwoud aan regeltjes over de naleving waarvan tijdrovend verantwoording moet worden afgelegd, is in de cultuursector nog in volle gang, of misschien zelfs nog maar aan het begin – gezien de inrichting van die malle ‘sectorinstituten’.

Maar de basis van dit alles blijft toch de collegiale keuring in die commissies – van kunstenaars, of tenminste kunstlievenden onder elkaar, met alle ruzies van dien – ruzies die je misschien als familieruzies zou kunnen zien. En in zekere zin is dat een uiting van gemeenschapszin, van een gevoel ‘onder ons’ te zijn, dat je ook aantreft op de jaarlijkse Uitmarkt in Amsterdam. Geen enkel ander land heeft dat: zo’n diffuse, massale manifestatie die pretendeert het nationale culturele leven voor het komende jaar samen te vatten.

Dat slechts een gering deel van het bezoekersaantal van de Uitmarkt later in het jaar daadwerkelijk opduikt in de kunstinstellingen – de gesubsidieerde of de ongesubsidieerde – is eigenlijk nauwelijks van belang. Waar dit massale feest om gaat, is als het ware de bevestiging dat dit ‘onze ’nationale cultuur is, en daarom brengen radio- en televisie er ook braaf verslag van uit.

Maar is dat wel voldoende, al die tot zelfgenoegzaamheid stemmende bemoeienis met de cultuur? Dat kun je je afvragen. In Amsterdam zijn, al vele jaren en nog vele jaren, twee grote musea dicht, of grotendeels dicht. Zowel de verbouwing van het Rijks-, als die van het Stedelijk zijn terecht gekomen in een vicieuze cirkel van vertragingen, budgetoverschrijdingen en bestuurlijke vreesachtigheid, waarin het gedoe het wint van de grote gedachte. Weg die van heinde en ver aangevoerde bussen toeristen naar de cultuurstad Amsterdam. Nederlandse gezelschappen die ooit tot de internationale top behoorden, zoals het Nederlands Danstheater, dreigen naar meer provinciaal niveau af te zakken.

Terwijl in de ons omringende landen het ene prachtmuseum na het andere lijkt te verrijzen, lijkt het soms alsof het Nederlandse kunstbeleid verzinkt in zorgelijke, en zuinige kneuterigheid. Een klein land, verzonken in kleine zorgen en eigendunk – precies wat niemand zegt te willen.