Kaketoe

Het was op deze zomeravond nogal stil in de eerste klasse van de Amsterdamse stationsrestauratie. Het spitsuur was voorbij, de meeste reizigers zaten alweer thuis achter de aardappels. De enige die wat leven in de brouwerij kon brengen, was de witte kaketoe die tot verbijstering van menige toevallige passant domicilie mocht houden op het buffet.

Deze royaal gekuifde vogelgodheid, behorend tot de papegaaiachtigen, had een vernuftig samengesteld onderkomen tot zijn beschikking. Hij kon zitten op twee korte dwarsbalken en met een trapleertje afdalen naar zijn etensbakjes op het buffet. Meestal vertoefde hij op de hoogste dwarsbalk, waar hij tijden mijmerend voor zich uit kon zitten kijken om dan plotseling een serie ijselijke kreten te slaken, die de koffie in je kopje en het bloed in je aderen even kon doen bevriezen.

Kaketoes zijn geen grote praters, maar schreeuwen kunnen ze des te beter.

Hij was nu in een rustige fase. Met zijn zwarte kraaloogjes keek hij langs zijn grauwe, scherpgekromde snavel in mijn richting. De kelner, die weinig om handen had, duwde uitdagend tegen de balkjes, maar de vogel gaf geen sjoege. Wegvliegen kon hij niet, want hij was gekortwiekt.

Op dit moment van algehele landerigheid stapte een oude meneer binnen. Hij was lang en dun en moest diep in de tachtig zijn. Hij droeg een onberispelijk zomerkostuum van een wat onbestemde, lichtbeige kleur, alleen de sandalen eronder zou ik hem afgeraden hebben. Weifelend liep hij door de vrijwel lege ruimte, toen koos hij een tafeltje tegen de verste, bruinhouten wand.

Zonder het menuboekje te raadplegen, bestelde hij een maaltijd bij de toegesnelde kelner. Hij moest hier vaker komen, een echte man alleen, een weduwnaar vermoedelijk, redelijk fit van lijf en leden, nog niet rijp voor het verzorgingstehuis. Koken had hij nooit geleerd, dat deed zijn vrouw wel, maar sinds haar dood moest hij toch echt voor zichzelf zorgen. Een, twee keer per week wilde hij wel eens wat anders dan de kant-en-klaar-andijvie-met-balletjes van Albert Heijn en dan ging hij naar de stationsrestauratie.

Daar kon je nog in je eentje eten zonder al te erg op te vallen. Een chic restaurant met al die gezellig kwekkende stelletjes, daar ging je op zijn leeftijd niet meer heen. Dat was geweest. Eten was louter functioneel geworden. Je vulde je maag en keerde weer terug naar het huis waar niemand op je wachtte.

Het beeld van die eenzaam etende man trof me, omdat ik het herkende uit het leven van mijn bejaarde ouders. Mijn moeder kon niet meer koken en daarom ging mijn vader enkele keren per week met haar in de plaatselijke stationsrestauratie eten. Ik had ze daar nooit gezien, maar nu kon ik me er iets bij voorstellen.

Intussen was de kelner weer teruggekeerd bij de kaketoe. Hij pakte de vogel op en gaf hem aan een collega, die hem hartelijk tegen zijn borst drukte. De vogel vond het aangenaam en liet dat blijken door zijn kuif uitbundig op te zetten. Kaketoes houden van aandacht, wie niet?

De oude man was uitgegeten. Hij wenkte de kelner, rekende af en vertrok. Eigenlijk had hij al die tijd maar één woord gezegd: „Uitstekend” – het beleefde antwoord op de beleefde vraag of het gesmaakt had.