Tibetanen zijn de Aboriginals van China

Dankzij grootschalige Chinese investeringen is de economie van Tibet de laatste jaren onstuimig gegroeid. Maar de Tibetanen profiteren hier nauwelijks van.

Voor de aanleg van de in 2006 gereedgekomen spoorlijn tussen de Chinese stad Xining en de Tibetaanse hoofdstad Lhasa legde China 2,9 miljard euro op tafel. Vorige week liet het Chinese ministerie van Spoorwegen weten de komende twaalf jaar de spoorlijn met zes nieuwe verbindingen uit te willen breiden, waaronder naar de Tibetaanse steden Nyingchi en Xigaze.

De technische details van de spoorweg naar Lhasa zijn indrukwekkend. Het hoogste punt van de 2.000 kilometer lang spoorverbinding – waaraan vijf jaar is gewerkt – ligt op 5.072 meter, naar verluidt de hoogste rails ter wereld. Bovendien beschikt het traject over de langste tunnel die ooit is gebouwd op bevroren grond. Een noodzakelijk bouwkundig hoogstandje omdat de spoorlijn kilometers lang door ijzig koude hoogvlaktes loopt. Toch hebben de Chinezen de spoorlijn niet gebouwd om te laten zien wat hun ingenieurs in huis hebben.

De verbinding met Lhasa moet het geïsoleerd Tibet met de rest van China verbinden en op die manier de economie van het gebied verder laten groeien. De Chinezen verwijzen dan ook met merkbare trots naar de economische groei van Tibet als zij de ambitieuze en kostbare spoorprojecten moeten verdedigen. Het bruto binnenlands product groeide in Tibet sinds de eeuwwisseling met gemiddeld 12 procent per jaar.

Dat de spoorlijn naar Lhasa hieraan heeft bijgedragen, blijkt volgen het Chinese staatspersbureau Xinhua uit de toename van investeringen in Tibet door Chinese bedrijven. In 2007 groeide die met ruim een kwart naar 839 miljoen euro.

Ontwikkelingseconoom Andrew Fischer van de vooraanstaande London School of Economics (LSE) erkent dat de economie in Tibet de laatste jaren hard is gegroeid. Hij maakt zich alleen zorgen over wie er van de ontwikkeling profiteert. Want onderzoek van Fischer op basis van Chinese statistieken wijzen er op dat de lokale bevolking nauwelijks profiteert van het economische succes omdat zij er niet in slagen om aan te sluiten. „De Tibetanen maken een proces door van sociaal-economische marginalisatie. Wat dat betreft lijkt hun situatie veel op die van de Indianen in de Verenigde Staten en de aboriginals in Australië .”

Volgens Fischer groeit door de investeringsstrategie van de Chinezen de economie van Tibet vooral in de dienstverlening, de bouw en de industrie. De landbouw, waar veel Tibetanen traditiegetrouw in actief zijn en blijven omdat zij meestal nauwelijks of geen opleiding hebben, groeit ook. Maar veel minder hard.

Het volume van de Tibetaanse landbouwsector nam in de periode 1998-2001 met 6,6 procent toe. De bouw en industrie groeiden in dezelfde periode met eenvijfde, de diensterverlening nam in die jaren met een kwart toe. De groei van de dienstverlening wordt volgens Fischer bovendien voor een groot deel veroorzaakt door de uitbreiding van het overheidsapparaat in Tibet, een voor de meeste Tibetanen onneembare vesting als het gaat om werkgelegenheid omdat zij geen Chinees spreken en schrijven.

De ongelijke spreiding van de economische groei over de verschillende sectoren, vertaalt zich voor Tibet in een relatief grote inkomenskloof die bovendien langs etnische grenzen loopt. In Tibet verdienden in 2004 de bewoners van de steden, waar veel Chinezen wonen, 5,5 keer zoveel als de mensen op het door voornamelijk door Tibetanen bewoonde platteland. Voor heel China lag in dat jaar diezelfde verhouding op drie, zo blijkt uit het onderzoek van de econoom.

De Westerse Ontwikkelingsstrategie, een door de vorige premier Zhu Rongji in 2000 gestarte grootschalige investeringscampagne om de westelijke provincies economisch tot ontwikkeling te brengen, heeft zich wat Fischer betreft te veel gericht op investeringen in infrastructuur en het overheidsapparaat. Er ging relatief weinig geld naar onderwijs en naar de opleiding van de lokale bevolking. Ontwikkelingseconoom Fischer: „Mensen die op het platteland wonen van de naburige provincie Sichuan hebben twee keer zoveel kans op een opleiding als mensen in Tibet.”

Om de Tibetanen echt mee te laten profiteren van de economische groei, moet China volgens Fischer investeren in onderwijs dat bovendien in het Tibetaans wordt gegeven. Onderzoek zou volgens de wetenschapper aantonen dat de stap naar het leren van Chinees dan ook makkelijker wordt gemaakt. Bovendien zouden Chinese bedrijven wat Fischer betreft verplicht moeten worden om Tibetanen in dienst te nemen. „De hiervoor noodzakelijke wetgeving is er al, maar wordt niet toegepast.”

Fischer is sceptisch over het effect van de demonstraties van internationale activisten die een vrij Tibet willen. „De toekomst van Tibet ligt in China”, stelt hij. Daarom pleiten veel deskundigen voor normalisering van de verhoudingen. De LSE-onderzoeker verwacht dat de Tibetanen dan in een situatie komen waarin ze met de Chinezen kunnen onderhandelen over het te voeren beleid. Nu is dat niet mogelijk, zo denkt Fischer.

Wat dat betreft kan volgens Fischer het geweld van maart dit jaar in de Tibetaanse hoofdstad Lhasa, waarbij vermoedelijk zo’n twintig mensen omkwamen, worden gezien als een stap achteruit. „Er zijn wel Chinese bestuurders die zich echt willen inspannen om het leven van Tibetanen en andere minderheden te verbeteren. Maar die krijgen weinig kans als conservatieve beleidsmakers het geweld en de protesten als argument kunnen gebruiken om de situatie te laten zoals die nu is.”

Eerdere artikelen over Tibet staan op nrc.nl/economie.

    • Aernout Bouwman-Sie