Sommige jongens zien voor het eerst een diploma

De strijd tegen recidive begint tegenwoordig ín de gevangenis. Geselecteerde gedetineerden krijgen vakopleidingen. Slot van een vierdelige serie over het moderne opsluiten.

„Wij hebben al heel veel goeie lassers afgeleverd. Neem van mij aan – dan hoef je niet werkloos te blijven.” Van werken met gedetineerden word je niet per definitie optimistisch. Maar ‘trajectbegeleider’ Piet Zwager straalt een vierkant soort levenslust uit.

Dat geldt ook voor de opleiders die in Penitentiaire Inrichting De IJssel werken. Ze hebben het over ‘de jongens’ aan wie ze iets geven, iets overdragen. In plaats van alleen te ‘nemen’: gehoorzaamheid bij controle, insluiten, arbeid. Het contact is anders. De stress is minder. De omgang op voornaambasis. Docent Marga: „We zijn hier geen ‘juf’ of meester, zoals in het reguliere onderwijs. Dat heeft niet voor ze gewerkt.” Metaalopleider Adrie behandelt ze als ‘werknemers’. Hij is de baas, maar de verhoudingen zijn collegiaal. Volledig vergelijkbaar met de 25 jaar in de ‘zware constructie’ die hij achter de kiezen heeft. Deze jongens technisch onderwijs geven is voor hem zelfs ‘de hemel op aarde’. Hij traint ze in drie lastechnieken: TIG-lassen, MIG/MAG-lassen en het gewone booglassen met beklede elektrodes. De gevangenis ligt pal naast een groot metaalbedrijf: Merwede Shipyard. Ze zouden zó kunnen oversteken.

De ‘jongens’ gedragen zich bij hen anders dan op de celafdeling, constateren hun docenten. Ze zijn individueel bezig. De groepsdruk is even weg. Docent Jan Paul: „99 procent van de jongens is positief. Educatie heeft altijd zin. Hier kan je stimuleren. Ze voelen zich hier vrijer en praten makkelijker. Ook over hun problemen. Nou, dan laat je ze daar de andere kant even van zien.”

We praten met Richard (35). Een lange, bleke jongen met een zware straf van wie zijn begeleiders stilletjes goede verwachtingen hebben. Hij komt in 2011 vrij en gaat binnenkort op voor z’n derde lasdiploma. „Als ik me kan focussen dan voel ik me goed. Bezig zijn, dat wil ik.” Hij mag binnenkort ook de cursus computervaardigheden volgen. Hij wil „zekerstellen” dat hij na z’n detentie weer aan het werk komt. Misschien neemt z’n vorige baas hem terug – een bergingsbedrijf. Hij hoopt het maar. Wat hem betreft zouden meer jongens van zijn afdeling deze cursussen moeten volgen, die liefst „de hele dag” zouden mogen duren. „En die weekenden, die duren hier héél erg lang.” Piet en Adrie grijnzen. Dat zijn ze toch echt niet van plan. Maar ze onderkennen het probleem. Er wordt meer ‘achter de deur’ gezeten dan vroeger. Niet alleen in het weekend. Door geldgebrek is het avondprogramma geschrapt. Iedereen zit vanaf half zes achter slot en grendel. Nu moet àlles overdag gebeuren. Onderling contact is afgenomen. Ieder ervaart het als achteruitgang.

Vroeger werden de certificaten ’s avonds feestelijk uitgereikt in de bezoekzaal, met familie en docenten erbij. Dat is dus geschrapt. Nu gebeurt het tussendoor. Er wordt nog wel een ‘moment’ van gemaakt, met ‘een bakkie’. En het blijft een gouden ogenblik. Veel jongens krijgen hier voor het eerst van hun leven een diploma in handen. Voor de gezichten die ze dan trekken, daar doen ze het voor, de begeleiders. Dan voel je toch hoop.

Piet Zwager en z’n collega’s zoeken in de vier gevangenissen van Rijnmond iedere gedetineerde op die aan dit nieuwe project ‘Terugdringen Recidive’ (zie kader)kunnen deelnemen. De selectie is stevig, de gedetineerden willen meestal meedoen. Uit welbegrepen eigenbelang. Worden ze afgewezen of weigeren ze dan is doorplaatsing naar een half open of open inrichting niet mogelijk. Verlofregelingen en voorwaardelijke vrijlating komen dan in gevaar. Zwager heeft dus iets te bieden – hij zit niet in het vrijblijvende welzijnswerk „van vroeger, toen alles kon en mocht”. Hij waardeert de zakelijke aanpak. Justitie ‘investeert’ in een gedetineerde, mits die kritisch naar zichzelf wil kijken en mee wil doen. „In het begin zeggen ze: ik word gestraft als ik niet meedoe. Maar dat slaat om als ze bezig zijn.”

Een uitgebreide test geeft aan waar gesleuteld moet worden en of de gedetineerde geschikt is. Arbeid, vaardigheden en gedrag zijn de hoofdthema’s. De gedetineerde moet wel tot leren of aanpassing in staat zijn. Wie zwakbegaafd is, ongeletterd, ongecijferd, het Nederlands niet machtig, groepsongeschikt of anderszins gestoord kan buiten de boot vallen. Ook motivatie weegt zwaar. Piet Zwager en zijn TR-collega’s doen moeite bij wantrouwige gedetineerden de motivatie ‘aan te boren’ of hun weerstand te laten ‘kantelen’. Maar uitgangspunt is dat de gedetineerde zélf aan de slag moet willen. En wel met zichzelf. Menigeen weert dat af, wil met rust gelaten worden.

De ervaring leert dat de gedetineerden met de zwaarste straffen relatief het ‘makkelijkst’ zijn. Dat blijkt ook in de metaalwerkplaats in P.I. De IJssel. Adrie: „De jongens die heel diep in de shit zitten werken het hardst. Die willen wel héle dagen.” De moeilijkste groep wordt volgens Zwager gevormd door de ‘vroeg ontspoorden’ met grote sociale achterstand, buitenlandse achtergrond en gebrekkig Nederlands sprekend. Hij heeft uiteindelijk een case load van dertig gedetineerden die het programma volgen. Sommigen spreekt hij wekelijks. Anderen om de twee of drie weken, afhankelijk van het strafrestant. Hij neemt de vorderingen met ze door, maakt verslagen, helpt verlof aanvragen, belt reclassering, gemeente, politie en justitie en houdt druk op het leerproces. Alles in de hoop dat er ‘iets gaat ontstaan’. En dat de man die straks weg is, ook weg blijft.

Slot van een serie. Lees de vorige drie delen op nrc.nl/binnenland

    • Folkert Jensma