Milieuclubs soms fout, altijd constructief

Plotseling krijgen de milieuorganisaties de volle laag. Hun subsidies moeten weg, roept een deel van de Kamer. Dit is onverteerbaar, schrijft Wouter van Dieren.

Tekening Rhonald Blommestijn Blommestijn, Rhonald

De aanval op de milieubeweging is ingezet. Een Kamermeerderheid is voor afschaffing van de subsidies.

De VNO-voorzitter stookt het vuur op met de bewering dat het de schuld van Milieudefensie is als de Tweede Maasvlakte niet wordt aangelegd. Ondertussen beginnen de milieuprocedures tegen de bouw van kolencentrales (Nuon en RWE) en een LNG-terminal in de Eemshaven. Dat die er ooit zullen komen is hoogst onzeker. Conclusie: de milieubeweging houdt de vooruitgang tegen, is ondemocratisch en – volgens Ben Daalder, voorzitter van de visserijsector – zelfs crimineel. En alles en iedereen roept dat de milieuclubs vooral zo ondeskundig en onwetenschappelijk zijn. Prominent milieuvoorman Duyvendak doet er met zijn bizarre zelfverloochening nog een schepje bovenop. Hij was fout, fout, fout, en zal het heus nooit meer doen.

Dit circus is onverteerbaar. Want wat is er wel aan de hand?

Dat de milieubeweging inhoudelijk er soms stevig naast zit, staat vast. Rapporten zijn niet altijd van hoog niveau, acties vaak niet goed doordacht, schieten op een mug is regel. Neem Shell waartegen Milieudefensie al jaren actievoert, wegens toestanden in Nigeria. Die zijn ongetwijfeld ernstig. Maar de Nederlandse consument wil er niets van weten, de politiek evenmin. Zo gaan scheppen actiegeld naar een zinloos doel.

Neem Greenpeace: in 1999 publiceerde deze organisatie een rapport over de Waddenzee, waarin werd „uitgerekend” dat het winnen van aardgas aldaar de samenleving 3 miljard euro zou kosten. De schrijvers van het rapport hebben onlangs publiekelijk verklaard dat het verhaal klinkklare nonsens was, maar ondertussen zwaaiden Kamerleden ermee; de groene autoriteit had immers gesproken! Handen af van de Waddenzee!

Dit soort volksverlakkerij is laakbaar en schadelijk. Maar het is geen regel. De circa 50 groene organisaties (voor milieu en natuur) in dit land zijn doorgaans deskundig en constructief. Het beleid van de overheid om via subsidies deze clubs in staat te stellen gekwalificeerd tegenspel te bieden is zinvol gebleken.

Met grotere trefzekerheid zou je de beschuldigende instanties zelf kunnen kwalificeren als ondeskundig en ondemocratisch.

De voorbeelden zijn legio. Instanties en bedrijven die zich beijveren om de Tweede Maasvlakte en de Eemshaven vol te bouwen met kolencentrales mogen de hand in eigen boezem steken. De Eemsmondplannen gaan wellicht de mist in, niet omdat foute actievoerders foute informatie verspreiden, maar omdat de haven- en kolenlobby hun huiswerk niet doen. Men heeft de vergunningen op zak, men wordt geacht de wet te kennen, men weet dus dat het een democratisch recht is om bezwaarschriften in te dienen. Dat betekent procederen. En omdat er nogal wat zwakke punten in de vergunningen zitten is de kans groot dat bezwarenmakers bij de Raad van State gelijk krijgen. Ondemocratisch is het om het eigen kolengelijk boven de wet te stellen en het procederen onverantwoordelijk te noemen.

Milieudefensie zal de Tweede Maasvlakte niet (kunnen) tegenhouden, zoals de VNO-voorzitter beweert, maar heeft er het volste recht op om te wijzen op de tweeslachtigheid die enerzijds per (innovatief) convenant nauwgezet vastlegt dat de Rotterdamse haven de meest duurzame ter wereld wil zijn, maar dan tegelijkertijd de deur openzet voor kolencentrales. Wetenschappelijk is zo’n argumentatie niet, hooguit moralistisch, maar niet ondemocratisch. Groene organisaties weten zich gesterkt door de nieuwe realiteit in de VS, waar kolencentrales deels ofwel dreigen te worden gesloten en deels zijn afbesteld. Tegen de bouw van andere lopen tientallen procedures, dit alles gesteund door formeel Wall Streetbeleid dat investeringen in kolencentrales taboe heeft verklaard.

Aan de basis van deze conflicten ligt niet het gebrek aan democratie of aan inhoud van de milieubeweging. De kern is het gebrekkige besef bij formele instanties dat hun theoretisch gewauwel over duurzaamheid plaats moet maken voor concrete maatregelen. Het energiebeleid zwalkt al jaren tussen onvolgroeide ideeën over marktwerking en privatisering en keuzes voor basislast (Nederland vol grote centrales) en anderzijds keuzes voor het veelbelovende alternatief, ook wel Flexergy genoemd, inzetten op de talloze nieuwe kansen die zich aandienen, en die in een gedegen programma, Green4Sure, door die ‘ondeskundige’ milieuorganisaties zijn uitgewerkt. Terugdringen van het gebruik van fossiele brandstoffen, duurzame landbouw, verantwoorde visserij, het saneren van de intensieve veeteelt, dat alles staat op een agenda waarmee niets mis is. Gebaseerd op aantoonbare misstanden, die door de gevestigde orde getolereerd en zelfs gestimuleerd worden. De visserijsector staat model: varen onder vreemde vlag, sjoemelen met vangstquota, dubbel boekhouden op de veiling, fiscale trucs, de lijst is lang.

De minister doet er goed aan partijen aan tafel te noden en nieuwe gedragsregels af te dwingen. Onderdeel daarvan kan een onderzoek door de Rekenkamer zijn naar de besteding van groene subsidies, inclusief een analyse van acties en inhoud.

Maar dan niet meten met twee maten, want ook sommige nu zo hard om het groene hoofd roepende ondernemers, bestuurders en politici zouden aan zo’n onderzoek moeten worden blootgesteld. Ik voorspel dat er een interessante lijst van misbruik van subsidies, misinformatie, manipulatie, onwettigheden, gekonkel en zeer ondemocratisch gedrag te voorschijn komt.

Wouter van Dieren is directeur van milieuadviesbureau IMSA te Amsterdam.