Heel Overvecht langs om te zien wat er mis is

Utrecht profileert zich, onder leiding van burgemeester Wolfsen, steeds meer met een strenge aanpak van jeugdoverlast. Maar of het ook werkt is nog niet duidelijk.

Toen minister van justitie Hirsch Ballin onlangs in Utrecht was, belde hij de burgemeester omdat hij ze graag eens met eigen ogen zou zien. De straatcoaches in Kanaleneiland. „Hij is achter ze aan gefietst. Onaangekondigd. Gewoon om eens te kijken hoe dat nou gaat”, zegt burgemeester Aleid Wolfsen.

Utrecht profileert zich met strenge maatregelen tegen overlast veroorzakende jeugd, al wil Wolfsen dat liever niet zo zeggen. „We doen wat moet. We zoeken het niet op.” Deze maand kondigde hij een gebiedsverbod af voor een aantal jongeren bij een winkelcentrum in Overvecht. Eerder deze zomer zorgen politie, gemeente en OM al voor een primeur door aan te kondigen dat een huurder die een straatverbod consequent negeerde in de cel kon belanden.

Hoewel de strenge lijn al was ingezet toen Annie Brouwer nog burgemeester was, komt het met Wolfsen duidelijker aan het licht. Tijdens de campagne van het burgemeestersreferendum kondigde hij al maatregelen aan. Vooral de jonge kinderen, soms drie, vier jaar oud, die ’s avonds laat nog op straat liepen, konden op zijn persoonlijke aandacht rekenen.

Wolfsen (PvdA) wil nog nadrukkelijker achter de voordeur kijken. „Ik heb daar geen morele bezwaren tegen. In Overvecht wordt nu huis aan huis aangebeld om te zien wat de problemen zijn. Als je die morele bezwaren hebt, vind ik dat je eigenlijk te onverschillig bent. Je bekommert je wel om de publieke ruimte, maar zodra een vrouw thuis geslagen kan het je niets meer schelen.”

Wolfsen lijkt in Den Haag steun te vinden voor zijn aanpak en sommige wetswijzigingen die burgemeesters meer bevoegdheid geven heeft hij zelf nog als Kamerlid geïnitieerd. Toen Utrecht werd teruggefloten door de rechter omdat het samenscholingsverbod te ruimhartig werd geïnterpreteerd, klopte hij bij de ministers aan. Wolfsen: „Er ligt nu een voorstel om die wet aan te passen. En dat is correct. De wet moet ons faciliteren. We mogen achter de voordeur kijken als iemand over de schreef gaat en de lat voor ‘over de schreef gaan’ wordt lager gelegd.”

De grenzen van bestuurlijke maatregelen worden opgerekt, ziet ook criminoloog Henk Ferwerda. Hij deed onderzoek naar jeugdcriminaliteit en groepsverbanden. „Een gebiedsverbod of samenscholingsverbod is nogal een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Je moet heel zuinig in de toepassing zijn.” Toch vindt hij de maatregelen verantwoord. „Gemeenten doen dit alleen als al het andere niet helpt. Het samenscholingsverbod geldt voor de grootste raddraaiers. Dat is een effectieve manier om de rollen binnen een groep te doorbreken.”

Maar werkt de strenge aanpak ook? Ferwerda kan er geen antwoord op geven, daarvoor is het te pril. „In elk geval is duidelijk dat een gebiedsverbod altijd tijdelijk is. Soms is het heel fijn als een notoire overlastgever er even een tijdje niet is, maar je moet wel nadenken wat je gaat doen als deze meneer weer terugkomt in de wijk. Ik twijfel of gemeenten genoeg structurele maatregelen nemen.”

Utrecht claimt maatwerk te leveren voor die jongeren en hun ouders. Ze komen in trajecten terecht die op de lange termijn zijn gericht. „Het repressieve krijgt de aandacht, maar die aanpak hangt samen met een pakket van maatregelen”, zegt Wolfsen.

Toch weet ook Utrecht niet zeker of de strenge aanpak nou werkelijk helpt. Cijfers zijn er nog niet. Wolfsen: „Ik kreeg laatst nog een bericht van iemand die veel had geklaagd over overlast in de wijk Hoograven. Hij zegt dat hij nu weer rustig kan slapen. Dat is geweldig om te horen.”

Ook in Kanaleneiland zou het nu rustiger zijn. Bewoners klagen minder, zegt Jim Robinson, coördinator van Streetcornerwork, een jongerenopvang voor raddraaiers in de wijk. „De kern van de aanpak is dat we de meelopers van de harde kern scheiden en ze individuele projecten aanbieden. Ze weten bovendien dat ze worden aangepakt, dus we zien echt dat ze zich beter aan de regels houden.”

    • Leendert van der Valk