Blaeu gaf mooiste boek van de Gouden Eeuw uit

Kaart van de provincie Zeeland door Willem Jansz. Blaeu (1634), uit de ‘Atlas Maior’ van Joan Blaeu (1662).

Tentoonstelling Atlas Maior. De wereld van Blaeu. Afdeling Bijzondere Collecties Universiteitsbibliotheek Amsterdam, Oude Turfmarkt 129. T/m 23/11, ma-vr 9.30-17 uur. Inl: www.uba.uva.nl

Mr. Joan Blaeu staat te boek als een van de grootste Nederlandse uitgevers van de zeventiende eeuw. Een belangrijk man: hij was een Amsterdams regent, kaartenmaker van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, eigenaar van twee drukkerijen en van een wereldberoemde boekhandel. En bovendien kennis, zo niet vriend, van menig geleerde.

Maar bovenal was hij een gewiekste zakenman, een kwaliteitsdrukker die zowel de meest vrome calvinistische literatuur liet verschijnen als godsdienstige werken der jezuïeten. Dat laatste dan weer anoniem en met als plaats van verschijning Keulen.

Het opzienbarendste product van zijn uitgevershuis was de Atlas Maior, een meerdelige atlas van de wereld met in totaal zeshonderd kaarten. In een moordende concurrentieslag met een andere Amsterdamse uitgever, Johannes Janssonius, en met grote investeringen publiceerde Blaeu de Atlas Maior in 1662. Dit cartografisch meesterstuk is opgenomen in de Historische Canon van Nederland omdat hij symbool staat voor een aantal prestaties uit de Gouden Eeuw op het gebied van handel, navigatie, cartografie, drukkunst en een globaliserende economie. Aan deze atlas wijdt de afdeling Bijzondere Collecties van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek tot en met eind november een mooie, informatieve tentoonstelling.

De tentoonstelling, die kon putten uit de uitzonderlijk rijke collectie van de Universiteitsbibliotheek, leidt de bezoeker naar de Atlas Maior via verschillende voorlopers. Dat zijn kaarten en atlassen van Ptolemaeus, Mercator en Ortelius. Ook van goedkopere en handzamer zakatlassen liggen er voorbeelden op de expositie.

Opvallend is hoe heterogeen al die kaartbeelden zijn, wat betreft schaal, lijnvoering, typografie en de figuratieve voorstellingen waarmee de kaarten werden versierd.

Lag het centrum van de de cartografie aanvankelijk in Antwerpen, kort voor 1600, na de inname van die stad door de Spanjaarden, verschoof dat naar het noorden, naar Amsterdam. Daar opende Willem Jansz Blaeu zijn wereldberoemd geworden winkel ‘In de Vergulde Sonnewijser’ aan het Damrak. Hij en zijn zoon Joan gingen daar de concurrentie aan met andere gerenommeerde kaartbedrijven zoals die van Janssonius, Hondius en De Wit. Ook van deze firma’s zijn uitgaven op de tentoonstelling te zien.

De geëxposeerde fondscatalogus van de firma Blaeu mag helaas niet doorgebladerd worden. Maar de bezoeker krijgt wel een indruk van dit gevarieerde fonds dankzij de boeken die behalve de maritieme ook de wetenschappelijke en literaire wereld van die dagen weerspiegelen. Er liggen uitgaven van Hugo de Groot, Descartes, Barlaeus en Vossius en literatuur van Hooft, Vondel en Cats. En ten slotte is er de Atlas Maior, waaraan vele jaren is gewerkt en die in 1662 voor het eerst verscheen in een Latijnse editie. Een magistraal staaltje van zeventiende-eeuwse cartografie en drukkunst, opgesteld in een eigentijdse barokke pronkkast.

Die atlas was een pronkstuk dat in verschillende talen is verschenen. In feite was deze atlas nog maar een deel van een veel ambitieuzer project. Blaeu stond namelijk nog een zee- en een hemelatlas voor ogen. Daar is het niet van gekomen. De investeringen waren te groot en bovendien brandde in 1672 – toch al een rampjaar voor de Nederlanden – zijn drukkerij af.

Wie de Atlas Maior bestelde, kon daarbij nog een persoonlijke voorkeur laten spreken. Niet alleen kon de koper voor verschillende talen kiezen, men kon ook besluiten de kaarten te laten inkleuren en bovendien bestonden er verschillende mogelijkheden om de atlas te laten inbinden: in diverse soorten leer, in perkament, en al of niet met het familiewapen op de band gedrukt.

De atlas fungeerde ook als een superieur relatiegeschenk. De Staten-Generaal hebben hem bijvoorbeeld aangeboden aan de sultan van het Ottomaanse rijk. Het was een prijzig ding. Ongekleurd en eenvoudig gebonden telde men er 250 gulden voor neer, een jaarsalaris van een geschoolde ambachtsman. Maar dan had je ook wat. Op de tentoonstelling ligt een eigenhandig geschreven briefje van Blaeu met die prijzen. En je hoefde geen moeizame reizen te ondernemen. „Daar wees Vondel al op in een gedicht voorin een voorloper van de Atlas Maior:

„O reisgezinde geest ghy kunt die moeite sparenen sien op dit tooneel de werelt groot en ruimbeschreven en gemaeckt in cleen begrip van blaren.”