Autonomie is niet een recht, maar een kunde

Elke woensdag op deze pagina een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: dwang versus eigen verantwoordelijkheid.

De bemoeienis van de overheid met het alledaagse leven neemt toe: rookvrije cafés, strijd tegen overlast, geen coffeeshops in de omgeving van scholen. De tijd van vrijblijvendheid is voorbij.

Ook het opvoeden staat ter discussie. Wethouders in de grote steden willen achter de voordeur van gezinnen kijken en vragen meer armslag om in te grijpen. Het paternalistische principe van bescherming om bestwil is terug van weggeweest.

Hoe dit beschavingsoffensief te beoordelen? Verandert Nederland in een controlestaat? Wordt het spookbeeld van staatspedagogiek en opvoedpolitie werkelijkheid? Of is onze autonomie juist doorgeschoten?

Natuurlijk, niemand wil dat de ontwikkeling van een kind geschaad wordt. Maar de hoofdvraag luidt: is ingrijpen voordat er grote ellende ontstaat, aanvaardbaar? Een dergelijk ingrijpen om bestwil is op te vatten als een dilemma tussen ongevraagd helpen en afzijdig houden (met bijvoorbeeld verdere verwaarlozing als resultaat).

In het tijdschrift Socialisme & Democratie pleitte PvdA-wethouder Jantine Kriens (Welzijn en Maatschappelijke Opvang) van Rotterdam voor een overheid die ouders en onderwijzers in staat stelt kinderen te leren verstandige keuzes te maken en ook ‘nee’ te zeggen. Kinderen hebben recht op een goede opvoeding en een ontwikkeling tot volwaardig burgerschap. Anderzijds kunnen dwang en drang volgens de wethouder noodzakelijk zijn, als ouders onvoldoende in staat of bereid zijn die goede opvoeding te geven, met als gevolg verwaarlozing van de kinderen. Dan moet de overheid in actie komen en de ouders helpen. Als ouders hulp weigeren, zegt Kriens, zou je een gezinscoach kunnen aanstellen en de ouders moeten verplichten een opvoedingscursus te volgen.

De nieuwe praktijk van verplichte opvoedingsondersteuning heeft veel kritiek losgemaakt. Een eerste bezwaar is dat die steun geen zin heeft als ouders niet meewerken, bijvoorbeeld omdat vader alcoholist is en moeder zwaar depressief. Dwang kan in zo’n situatie alleen maar meer stress veroorzaken.

Maar het belangrijkste tegenargument is dat ongewenste inmenging een schending inhoudt van de autonomie die ouders toekomt. Zij hebben het recht hun kinderen op te voeden naar eigen inzichten. Bij gedwongen hulp moet het standpunt van de ouders wijken. Hun oordeel wordt terzijde geschoven en ondergeschikt gemaakt aan het paternalistische oordeel van de professional.

Paternalistisch handelt iemand die de vrijheid van anderen inperkt, met de bedoeling de ware belangen van de betrokkenen te behartigen. Hun leefwijze staat dus onder verdenking. Aan die bemoeizucht heeft iedere Nederlander hartgrondig de pest: de overheid mag geen zedenmeester spelen en aan individuele vrijheid mag niet worden getornd.

In On Liberty (1859) heeft de filosoof John Stuart Mill een aantal klassieke argumenten tegen paternalisme ingebracht. In zijn beschouwing over het rookverbod heeft nrc.next-redacteur Rob Wijnberg het standpunt van Mill reeds kort en krachtig omschreven: mensen zijn zelf het beste in staat te bepalen wat waarlijk goed voor hen is. Hoe zouden anderen kunnen uitmaken hoe je een gelukkig leven kunt leiden? Het enige oogmerk dat ingrijpen in de vrijheid van anderen rechtvaardigt, is de zorg dat hen geen schade wordt toegebracht.

Het schadebeginsel geeft dus aan of inmenging geoorloofd is. Dat betekent concreet dat ingrijpen achter de voordeur is toegestaan als de ontwikkeling van het kind schade heeft ondervonden. De autonomie van ouders mag daaraan opgeofferd worden.

Het doen van een ongevraagd aanbod is natuurlijk altijd legitiem. Ook met aanmoedigingen om slechte gewoontes tegen te gaan is weinig mis. Ouders kunnen nog altijd weigeren. Bovendien blijf je dan een beroep doen op hun eigen oplossingsvermogen.

Maar wat nu te doen als schade redelijkerwijs te voorzien valt? Is het wel zo ethisch om met hulp te wachten tot het leed is geschied? Bovendien, als je niets doet wordt de achtergestelde positie van ouders en hun kinderen bestendigd.

Onze neiging afzijdig te blijven houdt in sterke mate verband met het alomtegenwoordige liberale denken, waarvan John Stuart Mill één van de voorlopers was. Niemand heeft het recht jou te hinderen te doen wat je van plan bent, mits je anderen niet schaadt. Als mensen zichzelf willen verwaarlozen, is dat hun goed recht. Zelfbeschikking is dus belangrijker dan persoonlijk welzijn.

Dat is hoogst onbevredigend. Want de consequentie is dat iemand die zich elke dag bedrinkt even waardevol bezig is als iemand die er een gezonde leefwijze op na houdt. Bovendien is dat relativisme een uitnodiging om het belang van de samenleving, goed opvoeden bijvoorbeeld, te negeren.

Zijn kinderen er wel altijd mee gediend dat hun ouders als autonome personen worden beschouwd? En in hoeverre speelt autonomie überhaupt wel een rol in het leven van mensen die in de marge van de samenleving verzeild zijn geraakt?

Degenen die zichzelf en hun directe omgeving in sterke mate verwaarlozen, handelen doorgaans weinig bewust. Hun gedrag wordt eerder bepaald door fatalisme, zwakte, frustratie of depressiviteit. De conservatieve Engelse psychiater Theodore Dalrymple heeft dat indringend beschreven.

Laten we het zo zeggen: als je iedereen autonoom acht, ben je in principe van alle schrijnende problemen af. Mensen die in nood verkeren, worden geacht zelf beslissingen te nemen om zich aan hun lot te ontworstelen. Je hoeft er niet meer naar om te zien. In termen van Dalrymple: de filosofie van autonomie behoort tot het systeem dat de onderklasse in stand houdt.

Autonomie is geen gegeven of een menselijke eigenschap, zoals veel liberale filosofen menen, maar een optie. Je moet het willen. Het gaat er niet om eigen wensen tot uitdrukking te brengen, het gaat om geestelijk gezonde wensen, die door overtuigende oordelen worden ingegeven.

De ethicus Gerrit Manenschijn spreekt in dit verband over de mythe van autonomie. Als autonoom handelen wordt gereduceerd tot zelfbeschikking, zo redeneert hij, wordt het een soevereiniteit naar buiten: tegenover de staat en tegenover medeburgers.

De verzwegen vooronderstelling is dat een beslissing goed is omdat die subjectief genomen is. Niet omdat die op goede argumenten berust. Autonomie wordt zo een invitatie om verantwoordelijkheid te ontlopen en een gebod aan anderen om er het zwijgen toe te doen.

Met Manenschijn kun je zeggen dat autonomie in werkelijkheid een kunde is. Om autonoom te zijn moet je jezelf kunnen corrigeren en innerlijke hindernissen als impulsiviteit en onwetendheid kunnen overwinnen. Autonomie maakt de verantwoordelijkheid voor onze gedragingen niet kleiner, maar juist groter. Je kunt je niet achter anderen verstoppen en je moet veel relevante informatie vergaren. Bovendien vereist de zuigkracht van de markteconomie een grotere mate van morele zelfbeheersing. Het aantal verlokkingen heeft zich immers verveelvoudigd.

Al deze kritiekpunten maken de paternalistische optie er niet automatisch beter op. Interventies die indruisen tegen de eigen overtuiging of die als zinloos worden ervaren, zijn snel moreel bedenkelijk. Als een persoon niet wil meewerken of wil leren, is dwingen een zwakke optie. Dwingen roept regelontwijkend gedrag op of juist voorgewende meegaandheid. De eigen verantwoordelijkheid wordt niet benut.

Dat doet er echter weinig aan af dat paternalisme een legitieme optie is als verder kwaad te voorzien valt. Al te vaak is autonomie een machtswoord om problemen op hun beloop te laten. Als je er tamelijk zeker van bent dat de ontwikkeling van een kind gesmoord wordt, zal je moeten ingrijpen.

Elke woensdag staat op deze plek een filosofisch dilemma, doorgaans van Rob Wijnberg. Tijdens zijn vakantie staan hier essays van gastschrijvers. Bas van Stokkom is socioloog en filosoof en verbonden aan het Centrum voor Ethiek, Radboud Universiteit Nijmegen.

    • Bas van Stokkom