Atleet die drie keer zo sterk was als sterk

Een halve eeuw geleden was oud-tienkamper Eef Kamerbeek een rolmodel. Vlak voor de Spelen van Melbourne in 1956 werd hij tot zijn grote woede teruggeroepen, wegens een politiek boycot.

Kamerbeek in 1964. Foto Dijkstra Dijkstra bv

Eef Kamerbeek, die maandagnacht overleed, was tienkamper toen er in Nederland nog geen echte tienkampers bestonden. Dat was in de jaren vijftig. Atleten die op tien onderdelen proberen elkaar te bestrijden, deden dat eigenlijk maar één keer per jaar, tijdens een nationaal kampioenschap. De Eindhovense atleet Kamerbeek, een specialist op de 110 meter horden en het discuswerpen, legde zich als een van de eersten in Nederland toe op meer onderdelen in de hoop zich te kunnen meten met internationale allrounders.

Kamerbeek was in de jaren vijftig en begin jaren zestig een rolmodel. Een man die er goed uitzag, zijn lichaam durfde te tonen én sterk was. Hij deed aan turnen, gewichtheffen, hardlopen en springen. Zijn club PSV en vooral zijn werkgever Philips, waar hij machinebankwerker was, waren trots op hem. En hij was trots op zichzelf. „Ik was niet sterk, maar staerek, zoals ze bij ons in Brabant zeggen. Dat is ongeveer drie keer zo sterk als sterk. Ik kon dingen, die kon niemand. Met een halter van 65 kilo in je nek op een bank languit liggen en dan weer overeind komen. Ja, dan moet je buikspieren als kabels hebben. Voor mij kon een tienkamp ook niet zwaar genoeg zijn”, vertelt hij in het deze maand verschenen boek Snel, hoog, ver; geschiedenis van de tienkamp van Kees Sluys.

Kamerbeek kon door zijn ziekte niet aanwezig zijn bij de presentatie van het boek. Wel werd daar stilgestaan bij een van de meest aansprekende sportmensen van Nederland, die op het zwaarste onderdeel van de atletiek, en mogelijk van de sport in het algemeen, tot de wereldtop behoorde.

Een olympische medaille won hij niet (hij werd vijfde op de Spelen van 1960 in Rome) en hij behaalde evenmin een internationale titel. Hij moest het jarenlang afleggen tegen geweldenaren als de Amerikaan Rafer Johnson en de Taiwanees Yang Chuankwang. Mede doordat hij in Nederland niet over de gewenste faciliteiten kon beschikken. „Wij deden het ook niet met epo, nandrolon en anabole steroïden, maar met biefstuk en geklutste eitjes”, vertelt Kamerbeek in het boek ‘Snel, hoog, ver’, om vervolgens de vergelijking te trekken met zijn Nederlandse opvolgers die ineens „zulke poten kregen” en daardoor de ene poot niet meer voor de andere kregen.

Hij hekelde zijn opvolgers, al had hij ook waardering voor Chiel Warners die hem op de Spelen van Athene in 2004 evenaarde met een vijfde plaats. Maar Warners had na tien nummers niet op de baan moeten gaan liggen omdat hij vermoeid was, vond Kamerbeek. „Sintelbaanhoeren noem ik dat. Ik vind dat je op je benen moet blijven staan, ook als je helemaal kapot bent. Dat moet je gewoon kunnen opbrengen.”

Zijn grootste frustratie gold de Spelen van 1956 in Melbourne. Hij had er een medaille kunnen winnen, meende Kamerbeek, als hij niet met andere vooruit gereisde atleten (vijfkampster Dini Hobers, sprintster Puck van Duyne-Brouwer en verspringer Henk Visser) was teruggeroepen door het Nederlands Olympisch Comité. De Russen waren Hongarije binnengevallen en de Nederlandse sportbonden hadden besloten de Spelen te boycotten, uit protest tegen de deelname van Russische sporters in Melbourne. „Linthorst Homan, de voorzitter van het NOC, had de mensen als een soort volksmenner bewerkt, niemand die nog durfde te protesteren”, zei Kamerbeek. Een vertegenwoordiger van Philips, zijn werkgever, hield hem een telegram voor waarin hij ‘namens alle sportvrienden, namens alle collega’s op het werk’ werd opgeroepen om toch alsjeblieft terug te komen. „Vervolgens hebben ze mijn zieke moeder emotioneel bewerkt. Journalisten en mensen van het werk zeiden: het kan niet zo zijn dat je daar als enige blijft, dat is slecht voor de naam van Philips.”

Op de dag van de opening vlogen Kamerbeek en de andere Nederlanders terug over het stadion en zagen ze al die teams klaar staan om naar binnen te marcheren. Vier jaar later mocht hij revanche nemen. Op de Spelen van Rome werd hij vijfde. Mede dankzij een romance met de Britse vijfkampster Mary Bignall, op wie hij smoorverliefd was. Het was volgens de internationale pers dé olympische romance.

Twee jaar later werd Kamerbeek vierde op de EK in Belgrado. Op de Spelen van 1964 in Tokio had hij een medaille kunnen winnen. Volgens Kamerbeeks inschatting had er goud ingezeten, als hij niet last van zijn rug had gekregen. Blessures maakten een einde aan zijn loopbaan. Hij probeerde het nog als trainer van Nederlandse tienkampers, maar haakte af omdat zij niet zijn mentaliteit hadden achtte. Kamerbeek bleef nog lang betrokken bij Philips als organisatie-adviseur, organisator sportsponsoring en als voorzitter van PSV Atletiek, totdat een ongeneeslijke ziekte hem trof.

    • Guus van Holland