Welvaart is ook vrije tijd en natuur

Het huidige, christelijke kabinet dwingt iedereen om meer te werken. En zelfs de liberalen doen mee in de participatierage, stelt Alfred Kleinknecht. Mogen we zelf nog kiezen?

Tekening Ruben L. Oppenheimer Speciale aanbieding: Ouderwets genieten van de Haagse Doorwerkworst Nu nóg meer en nóg langer! Oppenheimer, Ruben L.

Met de aankomende vergrijzing buitelt men in Den Haag over elkaar heen met voorstellen om de Nederlanders te prikkelen tot meer en langer werken.

De 40-urige werkweek moet weer terug. Zaterdag zou best weer een reguliere werkdag mogen worden. Deeltijders moeten grotere deeltijdbanen nemen. Minister Donner (Sociale Zaken, CDA) durft het nauwelijks uit te spreken, maar liefst zou hij de geesten rijp willen maken voor doorwerken tot 70. En her en der klinkt gemopper over onze overvloedige adv-dagen.

Wat me verrast is dat ook economen die als ‘liberaal’ gelden keurig meedoen in het grote koor: gij zult (meer) werken. Niemand komt op het idee om te vragen: waarom eigenlijk?

Onze studenten economie leren in het eerste studiejaar dat mensen keuzes maken in overeenstemming met hun persoonlijke voorkeuren. Iemand kan bijvoorbeeld bereid zijn om 55 uur per week te werken, omdat hij dolgraag in een peperdure Ferrari wil rondrijden.

Iemand anders kan ervoor kiezen om de auto helemaal weg te doen. Dat spaart zoveel geld uit dat een inkomen uit een 30-urige werkweek al ruim voldoende kan zijn. Als iemand aan de extra vrije tijd meer nut toekent dan aan het hebben van een auto, dan is met deze keuze helemaal niets mis.

Ja, het bruto nationaal product is dan lager – maar wat doet dat ertoe als de mensen tevreden zijn?

Hetzelfde geldt voor de financiering van de vergrijzing. Ik hoorde ooit iemand beweren dat onze vutters in hun caravans de gelukkigste mensen van Nederland zijn.

Als de economische wetenschap gaat over hoe we met de beschikbare schaarse middelen het geluk van de mensen kunnen maximaliseren: waar bemoeit de commissie-Bakker zich dan mee? Ook de discussie over de financiering van de vergrijzing gaat uiteindelijk over de keuze tussen meer goederen (of diensten) versus de keuze voor meer vrije tijd. Wie zegt eigenlijk dat ik 70 procent van mijn laatstverdiende salaris als pensioen moet hebben? Wellicht wil ik 85 procent hebben en werk ik daarvoor graag door tot 72. Een ander neemt wellicht genoegen met 40 procent en gaat in ruil daarvoor liever met 57 met pensioen. Het is maar waar je persoonlijke voorkeuren liggen: meer geld of meer vrije tijd?

Klassiek liberale denkers hadden altijd een diep respect voor de individuele voorkeuren en keuzes van mensen. Voor hen was het een onbestreden uitgangspunt dat de mensen zelf wel uitmaken hoe ze gelukkig willen worden. Dat het huidige kabinet liberale uitgangspunten aan zijn laars lapt en iedereen bijna dwingend wil opleggen om (meer) te werken is volstrekt begrijpelijk. Maar waar blijft dan de liberale oppositie?

Ik heb de indruk dat fractieleiders Rutte (VVD) en Pechtold (D66) gewoon meegaan in de participatierage: laat de overheid met stevige prikkels de keuzes van de mensen beïnvloeden. Ik heb ze in dit debat nog nooit horen klagen over paternalistische betutteling door de overheid. Adam Smith zou zich in het graf omdraaien als hij het Hollandse liberalisme moest aanschouwen.

De obsessie met bijna gedwongen participatie is ook ingegeven door een beperkt welvaartsbegrip: welvaart is gelijk aan bruto nationaal product (bnp). Hoe meer we daarvan hebben, hoe beter. Professor Heertje heeft vorig jaar in het economenblad ESB een vurig betoog gehouden voor een ruimer welvaartsbegrip: welvaart is niet alleen bnp, maar bijvoorbeeld ook vrije tijd of natuurschoon. Veel van de bnp-groei van de afgelopen jaren komt erop neer dat almaar meer mensen in almaar grotere auto’s almaar meer kilometers maken om ergens op de landkaart nog een stukje groen te vinden waar ze geen last hebben van de herrie en de stank van auto’s.

Het door Heertje bepleite ruime welvaartsbegrip biedt hier een realistischer perspectief dan het beperkte welvaartsbegrip waardoor de discussie over participatie wordt bepaald.

Op zichzelf is met meer participatie overigens niets mis. Werken heeft voor het individu evidente voordelen boven passiviteit. Maar mogen de mensen dan wel nog zelf kiezen hoe ze gelukkig willen worden? Het participatiedebat wekt de indruk dat men de burgers regelrecht wil dwingen tot het maken van de voor hen juiste keuzes. Participatie moet, niet omdat de mensen het willen, maar omdat het moet.

Het recente rapport van de commissie-Bakker ademt de geest van: alle hens aan dek voor werk, werk en nogmaals werk. In de Bijbel staat immers al dat we na de verdrijving uit het paradijs voortaan ‘in het zweet des aanschijns’ ons brood moeten verdienen. De obsessie van de commissie-Bakker met participatie is ongetwijfeld goed calvinisme. Maar helaas, het is geen goede economie.

Jongens, terug naar de schoolbanken. En vooral: Heertje nalezen.

Alfred Kleinknecht is hoogleraar economie van innovatie aan de TU Delft.

    • Alfred Kleinknecht