‘Waar. Is. Fatima?’

‘Je mag in de menselijke haag gaan staan, of je mag in het familievak’, zegt de persvoorlichtster van het Olympisch Stadion, ofwel het Oude Vogelnest. Het is half vijf maandagmiddag, en de sporters komen zo aan voor de huldiging.

Kiezen tussen de menselijke haag en de familie: het is niet makkelijk. Eigenlijk klinkt het allebei nogal intimiderend. Ik kies voor de menselijke haag, een lange rij dicht op elkaar staande mensen met oranje kleren aan. De sporters laten op zich wachten. Ver weg, op een podium, staat Jack van Gelder met een persoon die verkleed is als vlam. De vlam klapt en danst.

Na een hele tijd in de menselijke haag, waarin ik verdrukt wordt door een meisje van Right To Play die al haar vakantieverhalen van de afgelopen zes jaar aan een ander meisje vertelt, en daarbij ook digitale foto’s laat zien, van de welpjes die ze verzorgd heeft in Costa Rica tot de mannen met wie ze gesalsadanst heeft op Cuba, kortom, na een hele tijd in mijn ergste nachtmerrie, komen de sporters aan.

Ze lopen vrolijk langs de haag. Wij fotograferen hen, en zij fotograferen ons. Sommigen zie je niet, want die zijn klein. Het hele vrouwenhockeyteam blijkt uit kleine blonde dwergjes te staan; ze lopen ongezien langs de haag. ‘Waar is Fatima?’ roept een bozige tienerjongen achter me. ‘Waar. Is. Fatima?’ Fatima is allang voorbijgekomen, blijkt. Dan richt hij zich maar op andere mensen. ‘Kijk, daar is de vijfkampbitch’, zegt hij tegen een vriend. ‘Kijk, daar is de zwembitch.’

De sporters lopen naar het podium, waar Jack van Gelder ze interviewt. Dat wil zeggen: hij vraagt hoeveel alcohol elke sporter de afgelopen dagen heeft gedronken, en dan zegt hij: ‘Vertel het maar aan papa’.

Jeroen van der Boom zet een speciaal olympisch lied in met daarin strofes als ‘We zijn hier met zijn allen zwaar ondersteboven’. De tekst is zo complex dat niemand het mee kan zingen. Jack van Gelder kondigt de volgende volkszanger aan. ‘Helemaal uit Volendam...’

Tijd om het stadion te verlaten. Het is spitsuur. Buiten rijden trams en bussen. Een olympische sporter staat met zijn oranje rolkoffer voor de Febo op een taxi te wachten. Een andere sporter steekt een sigaret op en belt wat. Iedereen staart naar ze. Wat doen die olympiërs daar voor banale dingen? Dat mag helemaal niet. Maar het leven is weer begonnen.

Aaf Brandt Corstius

Lees de columns van Aafop nrcnext.nl/aaf