Pro-paranoia cocaïnedocument

Beelden van een Wasteland-feest in de film ‘The Dutch Cocaine Factory’

Film The Dutch Cocaine Factory. Vanaf 28/8 in Ketelhuis, Amsterdam: www.ketelhuis.nl

De film begint met authentieke beelden van bewakingscamera’s: de politie doet een inval in een huis waar druk cocaïne wordt gebruikt. Blote meisjes op de gang, zenuwachtig gedrentel van gebruikers en politieagenten, verijdelde pogingen spul door de plee te spoelen.

Daarna waaiert The Dutch Cocaine Factory van Jeanette Groenendaal breed uit: de belevenissen van een verslaafde die probeert af te kicken, zich achtervolgd weet, maar ook geniet van het leven; een advocaat, Leon van Kleef, die vertelt hoe de politie contacten met drugsverdachten afluistert en wat afluisteren betekent voor de maatschappij; dope-feestjes; en de geschiedenis van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek (NCF) – een koloniale onderneming die tot in de jaren dertig van de vorige eeuw cocabladeren van Java verwerkte tot snuifcocaïne.

Volstrekt legaal, wel te verstaan: Nederlandse snuifcocaïne stond wijd en zijd bekend om zijn hoge kwaliteit, en de winstmarges waren met koffie te vergelijken.

En nog veel meer – een hybride scala van beelden en woorden die het verschijnsel cocaïne in de samenleving van alle kanten documenteren. Maar geen toevallige, zoals de kijker de eerste keer zou kunnen denken. „Kijk maar”, zegt Groenendaal (44) en laat het door haar man Zoot Derks vooraf getekende storyboard van de film zien.

Niet alles wat in dat getekende scenario was voorzien, liet zich filmen. De Zuid-Amerikaanse dealers bijvoorbeeld, die in een Amsterdamse kerk bij de Spaanstalige mis achterin zitten en allemaal trots een 50-eurobiljet op het schaaltje van de collecte leggen. Of het gesprek tussen de verslaafde, de advocaat en een wetenschapper over de (theoretische) mogelijkheid de legale cocaïnefabricage nieuw leven in te blazen en er dan een Fair Trade of Max Havelaar keurmerk aan te verbinden. Toen de camera eenmaal liep, bleek geen van de drie zulke speculaties aan te durven. Dat gesprek is opgenomen in een verlaten fabriekshal van de beroemde negentiende-eeuwse architect Van Gendt op het Amsterdamse eiland Oostenburg, waar eens de uit Nederlands Indië aangevoerde cocabladeren lagen.

Groenendaal wilde „een film maken die dingen combineert, zoals je ’s avonds van de televisie je kijk op het nieuws bij elkaar zapt”. Daarnaast doet de film een beroep op paranoia van de kijker, door ‘directe’ beelden af te wisselen met beelden die door een derde, glurende partij gedraaid lijken – in het verlengde van het gevoel van verslaafde en advocaat, voortdurend bespied en afgeluisterd te worden. „Ik ben erg pro-paranoia”, zegt Groenendaal. „Als je verontrust bent, heb je eerder de neiging dingen aan elkaar te verbinden.”

The Dutch Cocaine Factory, van oorsprong een afstudeerproject van de postdoctorale DasArts-kunstopleiding, ging vorig jaar op IDFA in première, en is sindsdien incidenteel in binnen- en buitenland te zien geweest. Voorheen was Groenendaal voornamelijk bekend van obscene performances van het duo Zoot& Genant.

    • Raymond van den Boogaard