Nieuw land inpikken, zonder oorlog

Een nieuw boek over de inpoldering van de Zuiderzee beschrijft de angst dat de Hollandse cultuur verloren zou gaan.

Keileemtransporteur, door J.H. van Mastenbroek. De schilder bracht de Zuiderzeewerken regelmatig in beeld. Foto Zuiderzeemuseum JH van Mastenbroek: Keileem transporteur (1931) FOTO: Zuiderzeemuseum JH van Mastenbroek: Polderjongens op weg (1932) FOTO: Zuiderzeemuseum Afsluitdijk polders arbeiders dijken landaanwinning Zuiderzeemuseum

De inpoldering van de Zuiderzee aan het begin van twintigste eeuw ging gepaard met veel retoriek. Er was veel technische trots vermengd met nationalisme, maar er leefde bij sommigen ook het gevoel dat er iets waardevols verloren zou gaan: de ‘typisch Hollandse’ cultuur van de mensen die aan de Zuiderzee woonden.

In het boek Getemd maar rusteloos bekijken tien onderzoekers (vooral historici en antropologen) hoe er indertijd over werd gepraat en geschreven, door ambtenaren, politici, journalisten en ingenieurs. Eind negentiende eeuw begon de plannenmakerij en in 1932 was de afsluiting een feit.

De Zuiderzee-wet, die de drooglegging regelt, is van maart 1918: op dat ogenblik is het in de omliggende landen nog oorlog. In het debat over de inpoldering wordt een merkwaardig soort pacifistische oorlogsretoriek gebezigd: het project wordt natuurlijk voorgesteld als een gevecht tegen het water, maar ook als een vredelievende vorm van gebiedsvergroting, een annexatie waar geen oorlog aan te pas hoeft te komen.

En niet alleen de praktische voordelen worden breed uitgemeten (nieuwe landbouwgronden, minder overstromingen), maar ook de vermeende zedelijke voordelen. Een politicus had het in 1897 al eens zo verwoord: ‘Een grote arbeid geeft aan een volk een nieuw en krachtig bewustzijn.’ Het is de retoriek van het destijds zo populaire sociaal-darwinisme: een land moet ondernemen en strijden – in dit geval dus tegen de zee – om te kunnen voortbestaan. ‘De volken, die deze wet trachten te ontduiken, doen dit blijkens de geschiedenis niet straffeloos: zij worden zedelijk minder en gaan onder.’

Maar er is ook een ander nationalisme dat doorklinkt: een nationalisme dat trots wil zijn op de ‘Hollandse’ cultuur, die zijn wortels zou hebben in de Gouden Eeuw en die nog, in zijn meest zuivere vorm, rond de Zuiderzee te vinden zou zijn. Een bioloog die in 1905 als een soort antropoloog door het gebied reist, ontdekt daar onder de ‘eilanders’ en ‘oeverbewoners’ nog veel ‘typen van de oorspronkelijke inwoners van ons land’.

De dialectonderzoeker G. G. Kloeke meende zelfs dat de bewoners van de Zuiderzeeplaatsen de taal van het zeventiende-eeuwse Amsterdam spraken. Ze hadden dat dialect in de zeventiende eeuw overgenomen, omdat Amsterdam toen veel prestige had en veel invloed. Amsterdam zelf was in de loop der eeuwen sterk veranderd, maar in de stadjes rond de Zuiderzee zou dat oude Amsterdams nog dagelijks te horen zijn. Kloeke suggereerde dat je rond de Zuiderzee de taal kon horen die Vondel schreef.

Met de inpoldering zouden de Zuiderzeedialecten snel verloren gaan, dacht men. Maar dat is erg meegevallen, constateert dialectspecialist Harrie Scholtmeijer: ‘Nu zal er geen plaats in het Nederlandse taalgebied te vinden zijn waar het dialect nog zo in ere gehouden wordt als juist Urk.’ Het Urks is ook nu nog een eilanddialect: een dialect dat zich niet bij andere dialecten laat indelen.

De vissers als willoze slachtoffers van de modernisering: dat stereotiepe beeld, dat indertijd veel werd opgeroepen, kwam voort uit een veel te statische kijk op cultuur. Achteraf blijkt dat de plaatselijke bewoners gewoon op hun eigen manier met de tijd en de modernisering zijn meegegaan: hun cultuur was veel dynamischer, flexibeler en sterker dan werd aangenomen. Bovendien, benadrukt antropoloog Wietse Schmidt, zodra er gezegd wordt dat een cultuur moet worden behouden, is die cultuur eigenlijk al verdwenen. Dat is de paradox van cultureel erfgoed: het is niet meer dan een verbeelding van het verleden. Volendam, Urk, Spakenburg, al die Zuiderzeeplaatsjes hebben nog steeds iets eigens. Sommige van die stadjes werden overspoeld door toeristen en hoewel dat toerisme de modernisering versnelde, had het ook weer een positief effect op het lokale zelfbewustzijn.

Een eeuw geleden gingen vooruitgangsdenken en nostalgie dus vaak hand in hand. Historicus Marnix Beyen voegt hier een mooie observatie aan toe: in de lofzang op techniek en modernisering ‘stond de mannelijke, heroïsche figuur in de volle kracht van zijn leven centraal. In de nostalgische beeldvorming over de verdwijnende Zuiderzeecultuur, daarentegen, traden evenzeer – of zelfs vaker – vrouwen, bejaarden en kinderen op de voorgrond.’

Al met al was er misschien maar één ding dat door de inpoldering echt verloren ging: een unieke binnenzee. Daarover werd een eeuw geleden nauwelijks getreurd. De voorstanders van inpoldering noemden de Zuiderzee in 1901 ‘een zouten, breeden, doch vrij onbruikbaren waterplas’. Toen er in 1918 over gedebatteerd werd in de Tweede Kamer, zei een van de socialistische parlementariërs dat hij bang was dat de ingenieurs er heel lelijke polders van zouden maken ‘door op waterstaatswijze langs de teekenhaak en den driehoek die polders rechthoekig te verdelen. De mensch leeft niet bij brood alleen, de mensch heeft nodig schoonheid; de mensch van nu komt veel te veel schoonheid te kort ...’ Waarop een liberaal Kamerlid reageerde: ‘Ik vind een rechte lijn dikwijls mooier dan een gebogene.’

Tom Sintobin e.a. ‘Getemd maar rusteloos. De Zuiderzee verbeeld, een multidisciplinair onderzoek’. Uitgeverij Verloren, 268 blz. € 25 .

    • Berthold van Maris