In Finley stroomden de miljoenen binnen

Het Amerikaanse dorp Finley is omgeven door spookstadjes. De overheid pompte er miljoenen in om bedrijvigheid en bewoners voor de streek te behouden. Gelukt? „Gaat je niets aan.”

Illustratie Eliane Duvekot Duvekot, Eliane

Stap in de pick-up truck, rijd het dorp in willekeurige richting uit – zoveel uitvalswegen zijn er nu ook weer niet – en aanschouw het ultieme schrikbeeld van de bewoners van Finley: spookstadjes.

Binnen een straal van anderhalf uur rijden van het dorp, weinig voor een uitgestrekte prairiestaat als North Dakota, liggen twaalf uitgestorven plaatsen. Van het ene landbouwdorp is niet meer over dan het plaatsnaambord op de plek waar ooit een station stond, een ander gehucht kende op het hoogtepunt 144 inwoners maar is nu niet meer dan een aantal bouwvallige woningen in een bosje – klaar als filmset voor een horrorfilm. En her en der staan houten woningen, echt niet ouder dan veertig jaar, leeg weg te rotten. ‘Keep out’, waarschuwt een eerste bord. Voor de bezoeker die dat negeerde, volgt een tweede verbod: ‘No hunting’. In de praktijk zijn het juist de bezoekers van dit soort spookstadjes die moeten oppassen dat er niet op hén gejaagd wordt. Vanuit de verte, door de zoeker van een jachtgeweer, worden buitenstaanders al snel aangezien voor hert of eland.

Voor Finley kan het beide kanten op. 125 jaar geleden door Noorse immigranten gesticht, een spoorlijn om graan en gerst af te voeren en op het hoogtepunt 1.500 inwoners. Aan de rand van het dorp het optimistische bord ‘Welcome to Finley’, met daaronder het officiële devies ‘People. Pride. Progress’. De lutherse kerk op de kruising van Washington Ave en Lincoln Ave maakt er geen geheim van dat tweederde van alle bewoners is weggetrokken. ‘Als god zo ver weg lijkt’, staat er groot op een bord dat gelovigen moet aantrekken, ‘wie is er dan verhuisd?’

Het centrum is nu Finley Café, de lokale diner achter het door de coöperatie van boeren gerunde benzinestation annex videotheek. Jessica Maus bedient hier. Op haar zwarte T-shirt strak om haar slanke lijf schreeuwen de fluorescerende letters op haar borst ‘don’t be trashy, recycle’. Ze is twintig en kent maar twee andere leeftijdsgenoten in de wijde omtrek. Wat doet ze na het werk? „Blikjes schieten.”

Roger Netland (65) en Jerome Leslie (69) dragen net als alle mannen geblokte overhemden met korte mouwen en een pet met reclames voor landbouwmachines die ze binnen ophouden. Kennen elkaar al meer dan 60 jaar. Geboren en getogen in Finley en van de grote stad moeten ze niks hebben. „Oh, golly no”, zeggen ze dan, mijn hemel, nee. „In de stad word ik zo claustrofobisch.” Roger en Jerome, met hun verweerde handen tot voor kort zelf ook boer, zagen de streek veranderen. Er waren drie winkels, nu nog maar één – en daarvan lekt het dak. Er waren drie cafés, nu alleen deze diner nog. Boerderijen werden sinds de jaren zestig tien keer zo groot, de techniek maakte een einde aan het werk van talloze boerenknechten. Het wereldbeeld van Roger en Jerome is eigenlijk heel overzichtelijk: „Het werd allemaal minder.”

Dan grijpt Curt Haugtvedt in. Hij hoort de mannen mopperen, genoeg reden om aan te schuiven. Haugtvedt is universitair docent in een andere staat, komt hier ’s zomers graag terug. Hij heeft zijn grootvaders woning aangehouden en ziet een glorieuze toekomst weggelegd voor plaatsjes als Finley. Internet maakt het mogelijk vanuit hier te werken en de gemiddelde huizenprijs van 11.000 dollar maakt het juist aantrekkelijk hierheen te verkassen. Kijk maar naar hem.

Roger en Jerome geloven het wel, mompelen gedag en staan op. Maar Curt Haugtvedt zet door. Springt in zijn busje om op het industrieterrein buiten Finley Northland Products te laten zien. Het bedrijf perst sprokkelhout samen tot namaakhoutblokken, supermarktketen Wal-Mart verkoopt dat dan weer. Manager Karen Bergstrom heeft alleen slecht nieuws voor Curt. Zo goed gaat het niet met het bedrijf. Finley’s locatie zit haar dwars. „Het kost me de grootste moeite om vrachtwagens die het hout aanleveren te overtuigen langs te rijden. Ze vinden het niet rendabel.” De dichtstbijzijnde oprit van de snelweg ligt een uur verderop.

Tien jaar geleden zou alles hier anders worden. De regering-Clinton wees tien counties in heel het land aan als economisch ontwikkelingsgebied. De zogeheten empowerment zone waarvan Finley deel mocht uitmaken was helemaal uitzonderlijk, omdat het de enige in de VS was met als doel het bevolkingsverloop te stuiten. De andere werden opgezet om de armoe te bestrijden.

Al snel raakte de hele dorpseconomie in de ban van deze economische politiek en de 40 miljoen dollar die beloofd was. „Washington smeet een bak geld onze kant op”, zegt Brenda Dissette, die jarenlang aan het project werkte. „We moesten maar zien wat ermee te doen.”

Het geld werd creatief uitgegeven. Toen de vorige lokale diner, evengoed Finley Café geheten, gedwongen werd te sluiten, kocht de gemeente een nieuw pand en bijbehorende keukenapparatuur. Een nieuwe uitbater werd gevonden en nu draagt de overheid de lasten en is de winst voor hem.

De regering-Bush heeft besloten het programma voortijdig te beëindigen, niet in het minst wegens het gebrek aan aantoonbare resultaten. Niemand in Finley lijkt bijvoorbeeld een overzicht te kunnen verschaffen van de gedane investeringen. Vraag door op het kantoor van de empowerment zone en de sfeer bekoelt. „We hebben niet al ons geld vergoed gekregen.” Wat is er wel gelukt? „Gaat je niets aan.”

Het duidelijkste voorbeeld van een gemiste kans waren de contante betalingen voor werknemers van buiten. Neem hier een baan: 500 dollar. Luister naar een veiligheidspraatje: nog eens 500. De overheid was alleen vergeten tijdseisen te stellen en dus kwamen de dagloners naar Finley, werkten een dag, vertrokken weer. Nettoresultaat: 1.000 dollar armer, geen werknemer erbij.

Niet dat de bedrijven dit meldden. Hier vermoei je anderen sowieso niet met jouw problemen. Dissette ziet een culturele oorzaak: 63 procent is van Noorse afkomst, 29 van Duitse, „en als je Noren een beetje kent, weet je dat je ze maar beter niets kunt vragen”. En bovendien: „Ik was de overheid, dus wat bij het bedrijf gebeurde ging mij niets aan.”

Tegelijkertijd wisten de inwoners het geld wel te vinden. De lokale golfclub Hill ’n Dale (met 30 leden die elk 30 dollar contributie betalen) dienden een verzoek in: 150.000 dollar voor een irrigatiesysteem voor hun green. Vonden ze wel terecht voor de allesbehalve luxueuze club. De kantine, die op slot kan noch hoeft, is een wanordelijke en naar oud tapijt ruikende ruimte. Trek de keukenkastjes open en handgeschreven aanwijzingen ontmoedigen gebruik. ‘De borden op deze plank zijn op 1 juni nog gewassen’. Over de glazen en mokken: ‘Dit serviesgoed kan je beter eerst even afwassen’.

Het verzoek om de overheidsbijdrage werd afgekeurd en de animositeit tussen de leden en de overheidsinstantie om het geld nam danig toe. Dissette: „Fraai was het niet. Ze waren nogal boos en opgewonden en het werd flink persoonlijk.” Dissette verhuist nu verder naar het noorden.

Ook buiten de golfclub groeide de weerstand tegen dat geld uit Washington. Daarop voelde de lokale overheid zich drie jaar geleden gedwongen heel Finley op te roepen „de gemeenschapszin vast te houden” en vooral „positief te blijven”. Er werden concrete plannen gemaakt. De school moest behouden blijven. Er zou een bejaardenhuis gebouwd worden. Een nieuw motel komen. Het aantal toeristen moest toenemen en de belastinginkomsten evenzogoed. Nog een ander bedrijf moest zijn intrek nemen op het industrieterrein.

Hoe pakte het uit? Eerst Brenda Dissette’s samenvatting: „We probeerden het een en ander, niet alles lukte.” De school in een buurtgemeente is opgeheven, pardon gefuseerd, met die van Finley. De woningen voor ouderen zijn opgeleverd; alleen werd onvoldoende nagedacht over de locatie. De bejaarden wonen nu op het industrieterrein, ver buiten de dorp. Over het nieuwe bedrijf, het motel en de toeristen heeft niemand het meer.

Finley, 18 van de beloofde 40 miljoen dollar en weinig concrete resultaten verder, moet nu weer op eigen kracht verder. Gaat dat lukken? Of is Finley over tien, twintig jaar het zoveelste spookstadje op de prairie?

Karen Bergstrom van brandhoutproducent Northland: „Ik hoop dat ik er dan nog ben.”

Brenda Dissette van het economische ontwikkelingsproject: „Over vijf jaar zijn er vast al minder bedrijven. En nog minder jonge mensen. En als de overheidssteun definitief wegvalt, gaat Finley uiteindelijk ten onder.”

De cafébezoekers zijn evenzo verslagen. Roger: „We gaan dood.” Jerome kijkt zijn vriend aan alsof deze te positief was. „Doe nou eens eerlijk, joh. Er is nu al weinig meer van over.”

Lees alle afleveringen van deze zomerserie over de economie van het dorp via nrc.nl/economie

    • Freek Staps