Een kleine kater na het Jaar van de Rat

Goud gehaald, gelauwerd en gevierd in een golf van aandacht en wat dan? Of: vier jaar naar een topprestatie toegeleefd en jammerlijk gefaald? De kans op een post-olympische depressie moet voor sporters niet onaanzienlijk zijn.

Dat geldt ook voor de gastlanden zelf. De post-olympische recessie is een bekend verschijnsel. Zakenbank Morgan Stanley ontdekte dat bij de laatste elf Olympische Spelen de economie van het gastland nadien een behoorlijke terugval beleefde. Het dal was vooral diep in Australië (1956), Japan (1964), de VS (1984) en Zuid-Korea (1988). Spanje viel in een echte recessie na de Spelen van 1992 in Barcelona.

Na de voorlaatste twee afleveringen beleefde de economie van Australië en Griekenland een terugval van de groei met 1,5 procent tot 2 procent tussen het jaar na en het jaar vóór de Spelen.

De reden ligt voor de hand. De organisatie van de Spelen vergt een enorme investering in sportfaciliteiten, infrastructuur en toerisme – met name hotels. Als die impuls daarna wegvalt, loopt de economische groei in de vergelijking vanzelf terug. De stemming in het land loopt van opgetogen terug naar normaal, en de inkomstenpiek uit toerisme valt weg. De Morgan Stanley-economen rekenden uit dat gemiddeld, tussen het jaar voor en het jaar na de Spelen, de economische groei met 4 procent achterbleef en de investeringen met 10 procent.

De hamvraag is nu: overkomt China dat ook? Nu een groot deel van de traditionele industriële wereld een flinke groeivertraging doormaakt hangt er veel af van China’s vermogen om de vaart erin te houden.

Er zijn redenen om aan te nemen dat het aan de Spelen niet zal liggen. China is zo groot dat de organisatie van de Spelen relatief onbelangrijk is voor de economie als geheel. Het stilleggen van een deel van de lokale economie tijdens de Spelen kan voor compensatie zorgen als die weer wordt opgestart. Wereldbankeconoom Justin Yifu Lin wees er al eerder op dat China de eerstvolgende twee jaar ook nog de World Expo organiseert en de Aziatische Spelen.

Dat betekent niet dat er geen groeivertraging kan komen – de hoge energieprijzen en het vertragen van de groei in de belangrijkste westerse exportmarkten vergroten de kans daarop. Bij andere landen met een post-olympische terugval speelden dergelijke externe factoren ook mee.

De Chinese economie moet volgens economen wel met zo’n 8 procent blijven groeien om het groeiende industriële arbeidspotentieel tevreden te houden. Post-olympisch of niet: depressieve burgers zijn wel het laatste dat Peking kan gebruiken.

Maarten Schinkel