De Vrije Keus

De Amsterdamse biljartclub voor vrouwen is gesteld op privacy en rituelen. Ze komen bij elkaar in een gewoon café met stoffige blaasinstrumenten aan ’t plafond.

Ze komen elke donderdag bijeen op een niet nader genoemde locatie. Wie er serieus over denkt om lid te worden, kan de voorzitster mailen. Dan volgt een telefoongesprek. En dan pas adres en routebeschrijving. Zo gaat het al twintig jaar. Kwestie van voorzorg. Van zelfbescherming. Van gesteld zijn op hun privacy.

’t Is verder een gewoon Amsterdams café, zo gewoon als je maar kunt bedenken. Aan het plafond hangen stoffige blaasinstrumenten, een ventilator draait vermoeid zijn rondjes.

Nummerborden op de muren, emaillen bordjes met oude colareclames en een cartoon waarin een vrouw in een rode minirok zich vergaapt aan een etalage vol juwelen: „Mannen willen maar één ding”, staat erop, „vrouwen willen altijd alles”.

Niet de vrouwen van de Vrije Keus. Die willen alleen biljarten. Met andere vrouwen, en liefst in stilte. Dat is nog moeilijker dan je denkt.

Voor de herenbiljartclub die hier vroeger speelde, haalde de barvrouw de krukken weg. De muziek zette ze zachter. Maar als zij spelen, klinken uit de luidsprekers zoete ballads uit de jaren tachtig, de fruitautomaat keert twee keer luid kakelend uit.

„We moeten assertiever zijn”, vindt de ene Vrije Keu.

„Dan krijg ik slaande ruzie”, zegt de voorzitster.

Een ander zegt: „Wees nou eerlijk. We hebben er gewoon het niveau niet voor.”

De club is opgericht in de tijd dat hotels nog biljartzalen hadden, en mannen het vrouwencafé niet eens binnen mochten om de krant te brengen. Later maakten biljartzalen plaats voor parkeergarages. Vrouwencafés werden gemengd of gingen kopje onder.

Maar de Vrije Keus bleven komen. Ze leerden piqueren en masseren en waarom dat officieel niet mag. Ze leerden een dunne bal met rechts effect op links te raken en de serie Américain te beheersen. Een enkeling nam privéles. De een speelde beter dan de ander. Dan keek de ander naar de een. Soms werden ze verliefd. Onder de twaalf leden zijn er nu drie stellen.

Vanavond spelen ze een finalepartij, in opperste concentratie. Zwijgend krijten ze hun pomerans en buigen zich over het laken. Als iemand een carambole stoot, wordt er instemmend geknikt. Aan het eind van de avond krijgt een Vrije Keu de wisseltrofee, een figuurtje van onbestemd geslacht met een biljartstok in handen. „Ik win ’m eens in de veertien jaar, dus zo vaak hoef je ’m niet af te stoffen”, zegt ze tegen een andere Vrije Keu. „Ik stof ’m sowieso niet af”, antwoordt deze. Ze zijn al tien jaar samen.

Veel van hun rituelen bleven hetzelfde. Hun maandelijkse contributie van 5,67 stamt nog uit de guldentijd. Omgerekend is het precies 12,50. Er is wel eens geopperd om het te verhogen naar 7,50, maar dat veroorzaakte een storm van protest.

Alleen het jaarlijkse uitje komt uit die pot, en de bijdrage aan het nieuwe laken. Een oud laken speelt eigenlijk ook prima, vinden ze. Op hun niveau.

Als ze mannen vertellen over hun club, zeggen die steevast: als ik een pruik op doe of een rokje aantrek, mag ik dan met jullie meedoen?

Aan die discussie beginnen ze niet meer. Deden ze twintig, dertig jaar geleden wel, hoor. „Dat”, zegt de voorzitster, „is nou iets wat is veranderd.”

Maartje Duin