China per trein

Een trouwe lezeres meldde mij dat ze aan de Normandische kust een interessant initiatief van de overheid had ontdekt. Het project heet Lire à la plage en komt erop neer dat op tien plekken langs deze kust kleine kiosken staan opgesteld waar toeristen overdag gratis boeken kunnen lenen. Overal op het strand zaten de badgasten verdiept in deze lectuur, variërend van stripboeken tot literatuur.

Wat mij betreft nemen we dit aardige initiatief in Nederland zó over. Nu is het soms behelpen omdat je niet te veel eigen boeken naar je vakantieadres wilt meeslepen. Dat kan overigens ook zijn voordelen hebben. Op mijn vakantie was ik genoodzaakt de boekenvoorraad van de eigenaar van ons appartement aan te spreken. Er was op het eerste gezicht weinig van mijn gading bij: al door mij gelezen Grunbergs en een rijtje oude reisboeken van Paul Theroux.

Ik bladerde door Theroux’ China per trein, een reisboek van twintig jaar geleden. Ik besloot het maar eens te proberen, ook al dacht ik op dat moment helemaal niet aan de Olympische Spelen in China, die nog moesten beginnen. Ik kende Theroux van enkele andere boeken, onder meer van zijn voortreffelijke boek over zijn oud-vriend V.S. Naipaul (Sir Vidia’s Shadow), maar aan zijn reisboeken was ik nooit begonnen. In journalistieke kringen werd daar soms nogal smalend over gesproken: ach, die Theroux, hij verzint wat gesprekjes in de trein, en klaar is Paul.

Dat vooroordeel zal niemand meer uit mijn mond horen. Geboeid las ik het 496 pagina’s tellende China per trein in de soepele vertaling van Tinke Davids. Omdat ik op mijn vakantieadres niet verder kwam dan de eerste 200 pagina’s, kocht ik thuis de herdruk om het uit te lezen. Kan een auteur een mooier compliment krijgen?

Inmiddels waren de Spelen bijna begonnen en duikelden talloze reportages over China in de media over elkaar heen. Niemand verwees naar Theroux, zijn boek werd kennelijk als gedateerd beschouwd. Het onvermijdelijke lot van de reisschrijver? Hoe onterecht in dit geval, want als je de eerste contouren van het nieuwe China wilt zien, is er geen betere bril dan die van de (inderdaad brildragende) Theroux.

Hij reisde per trein een vol jaar door heel China en stapte regelmatig uit om in de steden en op het platteland met de mensen te praten. Zijn nieuwsgierigheid was onblusbaar. Het Chinese spreekwoord „Wij kunnen een buitenlander altijd voor de gek houden” vatte hij als een persoonlijke uitdaging op. De gewone Chinezen bleken openhartiger dan hij had verwacht, hij kreeg ze vaak aan de praat, ook over de gruwelen van de Culturele Revolutie. Weliswaar verscheen er een spion, ‘meneer Fang’, in zijn kielzog, maar die wist hij te neutraliseren.

Het slotgedeelte over het geteisterde Tibet is zonder meer indrukwekkend. Theroux concludeert: „Men moet Tibet zien om China te kunnen begrijpen. En iedereen die de Chinese hervormingen verontschuldigt of er sentimenteel over doet, dient rekening te houden met Tibet, dat hem eraan zal herinneren hoe wreed, hoe koppig en materialistisch, hoe ongevoelig de Chinezen kunnen zijn. En dan geloven ze óók nog dat dat vooruitgang is.”

Mijn indruk is, mede dankzij dit boek, dat de Chinezen ons ook de afgelopen weken weer aardig voor het lapje hebben gehouden.

    • Frits Abrahams