Voor deze mensen wil de sportchef meer centen

Nederland ging naar Peking voor een plaats in de top-10 van het medailleklassement.

Dat lukte niet, maar toch is de sportkoepel relatief tevreden over de Spelen.

De Nederlandse equipe bij de verwelkoming in het olympisch dorp. Foto Bas Czerwinski 07-08-2008, Beijing, China. Welkomsceremonie in het Olympisch dorp voor de nederlandse sporters. Foto Bas Czerwinski Olympische Spelen Peking 2008 Czerwinski, Bas

De Nederlandse ploeg heeft bij de Olympisch Spelen in Peking vrij goed gepresteerd. De resultaten bleven met een twaalfde plaats in het medailleklassement iets achter bij de doelstelling, een positie in de top-10, maar met zestien medailles (zeven gouden, vijf zilveren en vier bronzen) verdeeld over acht sporten is er sprake van een behoorlijke spreiding.

Chef de mission Charles van Commenée is „redelijk tevreden” en noemde de top-10 voor Nederland haalbaar. „Dat wijzen de cijfers uit.” Hij sprak zich gisteren ook uit voor het handhaven van die ambitie. „De lat moet zo hoog liggen, dat je moet springen om er net met de nagels bij te kunnen.”

Het minpuntje: in totaal werden er minder medailles gewonnen dan bij de Olympische Spelen van Sydney in 2000 (25, verdeling: 12-9-4) en die van Athene in 2004 (22, verdeling: 4-9-9). Van Commenée verklaart: „De grote sportlanden slokken steeds meer medailles op.” Sydney 2000 blijft zowel wat gouden medailles als totaal aantal medailles betreft het beste resultaat ooit voor Nederland.

Van Commenée was vanzelfsprekend lovend over de winnaars van goud , zoals de hockeysters, de waterpolosters, zwemmer Maarten van der Weijden, dressuuramazone Anky van Grunsven, wielrenster Marianne Vos, de zwemestafetteploeg 4x100 meter vrouwen en het roeikoppel Marit van Eupen en Kirsten van der Kolk. Hij roemde vooral de waterpoloploeg als het voorbeeld van een sport waar lering is getrokken uit een verleden met slechte prestaties. Verder was hij ook tevreden over het zilver van judoka Deborah Gravenstijn en de roeisters van de vrouwenacht.

Daar tegenover stond een groot aantal teleurstellende of ronduit zwakke prestaties. Van Commenée sloot er zijn ogen niet voor. Hij noemde de zwemmers, baanwielrenners, beachvolleyballers, judoka Dex Elmont en zeiler Pieter-Jan Postma, maar hij had net zo goed de judoka’s Dennis van der Geest, Carola Uilenhoed, schermster Indra Angad Gaur, de meeste atleten, de tafeltennisploeg, fietscrosser Robert de Wilde, de mountainbikers, de beachvolleyballers, de soft- en honkballers, de triatleten, turnster Suzanne Harmes, de voetballers en vooral de roeiers van de Holland Vier kunnen vermelden. Over de beschamende prestatie van laatstgenoemden, die niet eens de finale wisten te halen, wilde hij zijn oordeel opschorten.

De les van ‘Peking’ is volgens Van Commenée dat het topsportklimaat zich nog steeds ontwikkelt. Wat hem betreft wordt de ingeslagen weg vervolgd en het geld op dezelfde manier verdeeld. Dat houdt in: prioriteit voor sporten met medaillekansen en minder investeren naarmate die kansen afnemen. Hij vindt dat de overheid de waarde van topsport zou moeten inzien en navenant zou moeten investeren. De maatschappelijke waarde van topsport is volgens de chef de mission zo groot dat staatssteun verdedigbaar is. „Kijk naar het effect van de prestaties bij de Olympische Spelen. We hebben Nederland op een sublieme manier gepresenteerd, thuis en aan de wereld. De olympische ploeg is een fantastisch uithangbord.” Waarmee niet gezegd is dat geld rechtstreeks de resultaten bepaalt. Van Commenée realiseert zich dat. Maar hij vindt wel dat meer geld nodig is om sporters nog beter te maken.

Aan de resultaten van ‘Peking’ wilde de chef de mission gisteren nog geen gevolgen voor het beleid koppelen. Hij hield zich op de vlakte door te verwijzen naar de evaluatie met de sportbonden. Maar ingrijpende veranderingen zijn niet te verwachten, dat kon uit zijn verhaal worden opgemaakt. Wel wil Van Commenée meer accent leggen op talentontwikkeling. Hij vindt dat er te veel talent verloren gaat. Hij ziet een oplossing in de aanstelling van meer bekwame coaches, vooral bij de jeugd.

Van een uitgebreidere mentale begeleiding van sporters – het Amerikaanse begeleidingsteam bijvoorbeeld telt twaalf sportpsychologen – is Van Commenée minder overtuigd. „Als er slecht wordt gepresteerd, wordt dat vaak toegeschreven aan een slechte mentale begeleiding.” Maar volgens de delegatieleider is dat vaak omdat men niet precies weet waar het verkeerd liep.

Voorzitter Erica Terpstra van sportkoepel NOC*NSF greep de olympische prestaties aan om het kabinet onder druk te zetten. Als premier Jan Peter Balkenende, die de Spelen bezocht, afgelopen vrijdag op zijn wekelijkse persconferentie verklaart dat goede prestaties in Peking voortreffelijke Holland-promotie is, moet hij ook met geld over de brug komen, meent zij. „Dan moet het niet alleen bij mooie woorden blijven.”

NOC*NSF oefent steeds meer druk uit op Den Haag om in sport te investeren. Behalve een verhoging van de sportbegroting, waaruit grofweg 40 miljoen euro aan topsport wordt besteed, poogt de sportkoepel meer geld los te peuteren via de kansspelen. Er worden onderhandelingen gevoerd met minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie om de Lottogelden in zijn geheel aan de sport te besteden. Nu is dat nog 70 procent; het resterende deel gaat naar charitatieve instellingen.

NOC*NSF ziet die extra inkomsten ook als compensatie voor de gestopte basissubsidies aan sportbonden van een aantal jaren geleden. Dat gemis gaat zich volgens Terpstra nu wreken bij de bonden. Dreigend: „Als we niet meer geld uit het Lottofonds krijgen, gaat het helemaal de verkeerde kant op met de sport in Nederland.”

    • Henk Stouwdam