Met schep en hark wil geen Nigeriaan nog werken

De hoge voedselprijzen maken de landbouw in Nigeria weer aantrekkelijk. „Jongeren moeten er evenveel mee kunnen verdienen als wanneer ze bij een bank werken.”

Een Nigeriaanse boer bewerkt palmnoten voor de productie van palmolie terwijl de olie- en gasterminal van Agip zwarte rookwolken uitstoot. Foto Hollandse Hoogte A farmer prepares palm nuts to produce palm oil, against the backdrop of the Agip oil and gas terminal at Ebocha. In the 19th century, Nigerian palm oil was used as a lubricant for the machines of the British industrial revolution, much as the region's oil resources are today. FOTO: Tim A. Hetherington / PANOS / Hollandse Hoogte PANOS;Hollandse Hoogte

„Ik dacht altijd de laatste boer van Nigeria te zullen zijn”, lacht landbouwdeskundige Christopher Dada, „maar met de hoge voedselprijzen in de wereld bestaat er weer hoop voor onze landbouw.” Met overheidssteun lokt Dada de jeugd naar het vruchtbare platteland in de deelstaat Ekiti. „We proberen van de bevolking hier weer boeren te maken.”

Landbouw is nog steeds de belangrijkste economische activiteit van Afrika. Maar niet in Nigeria. De grond is vruchtbaar en er valt voldoende regen. Een halve eeuw geleden bestond Nigeria’s export voor 90 procent uit agrarische producten zoals palmolie en cacao, nu is dat nog slechts 3 procent. „Het is belachelijk dat Nigeria tegenwoordig voedsel moet importeren, de olieproductie heeft dit land op zijn kop gezet”, oordeelt managing director Willem Colebrander van het Nederlandse landbouwbedrijf Dadtco.

Volgens de econoom Paul Uma Kalu in de hoofdstad Abuja wacht de Nigeriaanse boeren nu betere tijden. „De standaardoplossing voor tekorten in Nigeria is altijd geweest om te importeren.” Dat gebeurde eerder dit jaar opnieuw. De regering vreesde voor sociale spanningen na een verdriedubbeling van de prijs voor het basisvoedsel rijst. Ze spendeerde 600 miljoen dollar (407 miljoen euro) voor een half miljoen ton rijst en schafte tijdelijk de importbelasting op rijst af.

„De kniereflex is nog steeds hetzelfde”, zegt Paul Uma Kalu. „Maar met de hoge internationale prijzen valt dit nu niet meer vol te houden. Zo wordt landbouw vanzelf weer aantrekkelijk in Nigeria.”

De olie prijsde de boerenproducten uit de markt. Na het begin van de winning van het zwarte goud, een halve eeuw geleden, raakte de munteenheid de naira overgewaardeerd, waardoor de import goedkoop werd en de export duur. Het bleek voordeliger om ingevroren kippen uit Europa in te vliegen dan pluimvee in Nigeria te fokken.

Nigerianen trokken massaal naar de steden in de verwachting iets mee te pikken van de oliehausse. Geen jongere die er nog aan dacht zijn handen vuil te maken in de blubber op de akkers. „De gemiddelde leeftijd van een boer is inmiddels rond de 50 jaar, dat is veel te oud voor het zware werk”, stelt Christopher Dada vast. „De ziel is uit de landbouwsector verdwenen.”

Oluwakemi Dauda is minister van landbouw in Ekiti, een kleine deelstaat in het zuidwesten van het land. „We deden onderzoek en daaruit bleek dat jongeren willen werken bij banken, in de telecommunicatie of in de olie- en gassector. Op jaarbasis houden ze aan zo’n baan 4.500 dollar over. Dat werd ons uitgangspunt bij de aanvang van dit landbouwproject: de jongeren moeten er evenveel mee kunnen verdienen dan wanneer ze bij een bank werken.”

Christopher Dada kijkt liefdevol uit over de 40 hectare grote heuvel van het project in Orin. „Het leven is hier veel beter dan in de steden, waar meer armoede bestaat en sommige jongeren onder bruggen slapen. De jeugd liet zich verleiden door het gemakkelijke oliegeld. We proberen landbouw nu te presenteren als een bedrijfstak waarmee ook veel winst valt te behalen. Ik ben begonnen op dit project met twintig jongens en heb ze geleerd weer boer te zijn.” Ze verbouwen maïs, fokken pluimvee en onderhouden visvijvers en bijenkorven. „Als het goed geld oplevert, blijf ik het doen”, zegt boerenleerling George.

De overheid gaat in Orin zorgen voor elektriciteit, internet, een disco en een televisiezaal. Dada noemt dat „essentiële benodigdheden” voor succes van het project. De jonge boeren moeten ieder weekeind op de televisie naar het Britse voetbal kunnen kijken. Het meeste werk geschiedt met machines. „Alleen gemechaniseerde landbouw is aanvaardbaar voor de Nigerianen, met een schep en hark wil niemand meer werken.”

Een paar kilometer verderop van het project in Orin zit de bejaarde Benjamin Alagbagomo met andere oudjes onder een palmboom te kletsen. Dertig jaar lang is hij al boer, net als zijn vader en grootvader voor hem. „Landbouw levert niets meer op”, verzucht hij, „ik heb er genoeg van.”

„Zonder financiële investeringen valt er niet meer te boeren. We willen met machines werken en arbeiders inhuren”, zegt hij. Profiteren de boeren al van de hoge voedselprijzen? „Ja, een beetje”, zegt hij. „Maar tussenhandelaren komen met hun vrachtwagens onze gewassen opkopen en we moeten accepteren wat ze ons bieden. Armoede dwingt ons te verkopen tegen lage prijzen.”

Gebrek aan infrastructuur, zoals opslagcapaciteit, belemmert de groei van de landbouwsector. Door de hogere prijzen gaan rijke Nigerianen investeren in grootschalige landbouwprojecten en daardoor groeit de sector met 6 procent per jaar. Maar hoewel 37 procent van het bruto binnenlands product uit de landbouw komt, ontvang de regering nog steeds 80 procent van haar inkomsten uit olie.

Aan grootse plannen bestaat nooit een gebrek in Nigeria. De Groene revolutie, Operatie voedt de natie en andere met veel fanfare gestarte programma’s van zowel de militaire als de burgerregeringen slaagden er niet in om de ziel weer terug te brengen in de landbouwsector.

De militaire presidenten Buhari en Babangida probeerden het met een ban op de import van granen. Zij dachten dat door dergelijke verboden brood zo duur zou worden dat het weer aantrekkelijk werd om in Nigeria tarwe te gaan verbouwen. Een redelijke gedachte, maar niet in het corrupte Nigeria. Want dergelijke voornemens van de overheid worden door de afwezigheid van een efficiënt staatsapparaat niet of nauwelijks uitgevoerd en nageleefd.

„Wanneer je nu de import van tarwe zou verbieden, gebeurt precies hetzelfde als destijds onder de militaire regeringen”, voorspelt Christofer Dada. „Vele invloedrijke politici verdienen nu eenmaal gigantisch veel met importcontracten en ze zullen een dergelijk verbod ondermijnen.”

Willem Colenbrander van Dadtco ziet dit ook als een belemmering voor een bloeiende landbouwsector. „Er bestaat veel verzet tegen plaatselijke productie, want het schaadt de belangen van invloedrijke importeurs. Maar uiteindelijk zullen bedrijven inzien dat het beter is om in Nigeria in te kopen, anders wordt brood onbetaalbaar voor de consument.”

Dadtco geeft het goede voorbeeld: het Nederlandse bedrijf produceert in Nigeria met cassave voor een derde van de importprijs zetmeel voor brood en andere producten voor de voedingsmiddelenindustrie.

    • Koert Lindijer