In andere landen verloren de vrouwen juist

De Nederlandse vrouwen deden het in Peking beter dan de mannen. Het publiek wil daarvoor een verklaring. Maar sommige dingen zijn gewoon toeval, zegt Ellen de Bruin.

In andere landen verloren de vrouwen juist Tekening Ruben L. Oppenheimer NRC Handelsblad

Nu de Nederlandse vrouwen met meer medailles uit Peking terugkomen dan de Nederlandse mannen, vragen veel mensen zich af hoe het toch komt dat onze vrouwen beter waren. Uit de Olympische Spelen rijst in feite weer het beeld op dat al ten minste sinds de Gouden Eeuw bestaat: de Nederlandse man is een sul, een watje, terwijl zijn vrouw de broek aanheeft. Zo lijkt het althans.

Maar de vraag waarom de Nederlandse vrouwen beter waren dan de mannen is een onzinvraag. Het is op zich wel te begrijpen waarom mensen hem stellen: geslacht is de belangrijkste categorie waarin mensen elkaar direct indelen. Dus als de ene sekse veel meer (11) medailles wint dan de andere (3), valt dat op. En als iets opvalt, willen mensen een verklaring.

Maar wie even verder denkt, ziet dat de Nederlandse vrouwen helemaal niet beter hebben gepresteerd op de Spelen dan Nederlandse mannen. Je kunt dat althans niet zeggen. De Nederlandse mannen en vrouwen hebben niet tegen elkaar gesport. De vrouwen hebben het beter gedaan tegen de eigen tegenstanders dan de mannen tegen die van hen, maar hun omstandigheden zijn niet vergelijkbaar. Het waren bijvoorbeeld andere tegenstanders, en dan kun je zo’n vergelijking al niet meer maken, hoe menselijk het ook is om dat te willen doen.

En wij zitten hier natuurlijk enorm op de Nederlandse deelnemers te letten. Maar als daar echt iets bijzonders mee aan de hand zou zijn, was dat in het buitenland ook wel nieuws geweest. Was niet zo, voor zover ik heb gezien. Kennelijk komen scheve m/v-winstverdelingen altijd wel voor. Maar onze geest is niet op toeval ingericht: mensen zien graag betekenisvolle patronen, zelfs als die er niet zijn.

In dit geval leidt dat tot het onjuiste idee: de Nederlandse vrouwen waren beter dan de Nederlandse mannen. Een artikel in de Volkskrant, met de kop ‘Succes van vrouwen is en blijft de trend’ leek vorige week zelfs een voorzichtige poging te doen om dat uit te breiden naar álle vrouwen. „Het Nederlands olympisch team is niet de enige ploeg waarbij de verdeling uit het lood hangt”, schreef de krant. „Ook bij de Roemenen (7 om 1) en de Chinezen (40 om 26) hebben de vrouwen het grootste aandeel in het succes” [scores van 19 augustus]. Alsof die vrouwen niet van andere vrouwen hadden gewonnen! Er moeten dus ook een hoop verliezende vrouwen zijn.

Gelukkig werd Frankrijk nog aangehaald als voorbeeld van een land waar de m/v-winstverdeling precies andersom was (24-3). Maar dat versterkte ook weer het beeld dat we ‘de jongetjes tegen de meisjes’ aan het doen waren. Plus: als je er zo naar kijkt, valt voor je het weet het woord ‘inhaalslag’ en gaat het over vrouwen en werk (of vrouwen en roken, drank, drugs, stress etc.) En dan bevind je je al snel in het moeras van de quasifeministische drogredenen.

Dan wordt het ook heel verleidelijk om te zeggen: Nederlandse vrouwen hebben het zo goed, ze hebben zoveel vrijheid om te doen wat ze willen, ze zijn zo gelukkig – dus daarom presteren ze zo goed. Maar dát zou ook voor Scandinavische vrouwen moeten gelden. In Scandinavië hebben vrouwen nog net iets meer keuze- en ontplooiingsmogelijkheden dan in Nederland, zijn ze soms net iets gelukkiger – maar de Scandinavische vrouwen hebben minder medailles behaald dan de Scandinavische mannen. Ook uit het succes van de Chinese en Roemeense vrouwen blijkt trouwens al dat deze redenering niet klopt.

Bovendien, kijk eens wat er gebeurt bij alle pogingen om het Nederlandse vrouwensucces te verklaren. Journalisten maken uitgebreide verhalen over de geweldige coaches van de vrouwelijke sporters (coaches die ze soms vier jaar geleden ook al hadden, toen ze niet wonnen) en dat zijn dan mannen. Proberen te verklaren waarom de vrouwen het zo goed zouden doen, dient dus niet per se de feministische zaak (voor wie het daarom te doen is). Waarschijnlijk hebben we nu gewoon toevallig een generatie heel goede vrouwelijke sporters. Klaar.

En verder moet elke Nederlandse vrouw die haar man op zijn sullige plaats wil houden, natuurlijk zeggen dat vrouwen gewoon beter zijn: ‘Kijk maar naar de Olympische Spelen.’

Ellen de Bruin is redacteur van NRC Handelsblad. Zij schreef het boek Dutch women don’t get depressed: Hoe komen die vrouwen zo stoer?