Hoe berechten wij terreurboeven na ‘Gitmo’?

De strijd tegen terrorisme is gebaat bij berechting van terreurverdachten in een onafhankelijk tribunaal.

Een uitbreiding van het Strafhof lijkt de beste optie.

Illustratie Sebe Emmelot Emmelot, Sebe

Het lijkt een kwestie van wachten op een nieuwe Amerikaanse president voordat er een oplossing zal komen voor de gevangenis op de Amerikaanse marinebasis Guantánamo Bay. Zelfs in het Bush-kamp gaan er stemmen op voor de sluiting van ‘Gitmo’, maar feit is dat de beelden van Guantánamo, net als die van Abu Ghraib en het nieuws over CIA-vluchten en de ondervragingstechniek ‘waterboarding, het affiche waarmee de internationale gemeenschap de ‘global war on terrorism’ voert, blijvend hebben bepaald. Dat alles doet die strijd natuurlijk geen goed.

Met regelmaat gaan er daarom stemmen op om een speciaal internationaal tribunaal op te richten om terrorisme te berechten. Zo nam de Tweede Kamer in november vorig jaar een motie aan waarin de regering wordt opgeroepen de mogelijkheid van de oprichting van een dergelijk tribunaal te onderzoeken. Hoewel dit absoluut geen panacee zal zijn voor alle problemen bij de berechting van terrorismeverdachten, zal zo’n tribunaal zeker voordelen hebben – al is het de vraag hoe de Verenigde Staten bij een dergelijk initiatief moeten worden betrokken. Hoe dan ook, een onafhankelijk en onpartijdig tribunaal met een procesgang met garanties voor de verdachten, zou goed zijn voor het imago van de internationale gemeenschap in de strijd tegen het terrorisme.

In grote lijnen dienen zich drie opties aan: een speciaal bij verdrag op te richten internationaal tribunaal; een uitbreiding van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof; of een ad hoc-tribunaal opgericht door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Voor elk van deze opties geldt dat er een definitie van terrorisme geformuleerd zal moeten worden om het strafbare feit te omschrijven.

En juist dat element is het grootste struikelblok. Wordt het een opsomming van daden die reeds in andere verdragen zijn beschreven, of wordt het een algemene definitie?

Bovendien rijst de vraag of enkel grootschalige terroristische aanslagen tot de jurisdictie van een internationaal tribunaal zullen behoren. Wanneer bij verdrag een speciaal tribunaal opgericht wordt, zullen er dus eindeloze onderhandelingen aan vooraf gaan om deze definitie te bepalen. Ook zal de vraag beantwoord moeten worden of een dergelijk tribunaal voorrang krijgt boven nationale vervolging óf dat het net als het Internationaal Strafhof complementaire rechtsmacht krijgt, en dus pas in actie komt als dat op nationaal niveau niet gebeurt. Áls men er al uitkomt, duurt het vervolgens nog jaren voor voldoende ratificaties binnen zijn, alvorens het tribunaal in werking kan treden. Een vrij omslachtig traject dus.

Met een besluit van de Veiligheidsraad tot oprichting van een ad hoc-tribunaal, is tijdwinst te boeken. Maar zullen de Amerikanen hier brood in zien? Met de macht van het veto kunnen zij dit besluit blokkeren. Wellicht dat deze optie zich leent voor rechtsmacht met betrekking tot een specifieke terroristische aanslag. Als permanente oplossing zal het geen schoonheidsprijs verdienen, omdat staten er dan niet vrijwillig mee in stemmen.

Rest nog de optie van de uitbreiding van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof. Sommigen beweren dat terrorisme reeds onder de rechtsmacht van het Hof valt wanneer het gekwalificeerd kan worden als een misdaad tegen de menselijkheid. Probleem met deze kwalificatie is echter dat er dan wel sprake moet zijn van een systematische en wijdverbreide aanslag. Daarnaast moet de pleger op de hoogte zijn van dat karakter van de aanslag. Dit maakt het dus niet eenvoudig. Een aparte delictsomschrijving zou met deze bezwaren kunnen afrekenen. Nu zal in 2009 een herzieningsconferentie plaatsvinden waar wijzigingen in het statuut van het Internationaal Strafhof besproken zullen worden. Een kans dus om het opnemen van terrorisme bespreekbaar te maken. Feit blijft dat de Amerikanen een groot tegenstander zijn van het Internationaal Strafhof. Een oplossing voor het probleem van Guantánamo Bay zal deze optie dus niet kunnen bieden.

Zonder al te hoge verwachtingen te hebben, verdient het toch aanbeveling dat de Nederlandse regering zich tijdens de herzieningsconferentie van 2009 juist voor deze optie inzet. De structuur van het Hof bestaat reeds en hoeft niet vanaf de bodem opgebouwd te worden. Staten kunnen bij het proces betrokken worden, en krijgen niet een kant-en-klaar-optie voorgeschoteld van de Veiligheidsraad waar ze niets over te zeggen hebben. En hoewel we er dan nog lang niet zijn, is het een stap in de goede richting, en een bewijs dat we ons aan de goede kant van de streep tussen goed en kwaad bevinden.

Bibi van Ginkel is jurist en senior onderzoeker bij Instituut Clingendael. Zij is tevens lid van de Commissie Vrede en Veiligheid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken.

    • Bibi van Ginkel