Genieten

Voor het eerst mocht mijn kleinzoon twee nachten achter elkaar bij ons logeren. Het is, ik geef het toe, geen wereldnieuws, maar daar hebben we de voorpagina voor.

Na afloop van die twee dagen maakte Glenn een aanzienlijk fittere indruk dan wij. Op de eerste ochtend wekte hij ons om kwart voor zes, op de tweede gunde hij ons wat meer rust, maar toen vond hij het ook echt welletjes geweest. „Oma, het is een mooie dag om op te staan’’, meldde hij zich monter aan ons bed.

Wat zo’n lijfje van drieënhalf jaar aan vitaliteit herbergt, is moeilijk te bevatten voor de volwassene, die gewend is zijn krachten beter te verdelen. Je hebt volwassenen die veel vitaliteit proberen te suggeren, maar dat is vaak een vorm van aanstellerij, vergeleken met de tomeloze energie van een kind. Zo zag ik zaterdag de 65-jarige Joe Biden, de kersverse running mate van Barack Obama, in zijn overhemdsmouwen tientallen meters over een podium stormen om zich, volgens afspraak, dolgelukkig in de armen van de presidentskandidaat (uiteraard ook in overhemd) te storten.

Eigenlijk doet een jongetje als Glenn zo’n hele lange dag niet anders dan bij anderen in de armen vallen, hetzij lachend, hetzij huilend. Als hij zich weer bevrijd heeft, speelt hij met zijn treintjes, kijkt hij dvd’s, laat hij zich voorlezen, telt elk half uur hardop alle slagen van de Westertoren, gaat mee boodschappen doen, reist met de tram naar de Openbare Bibliotheek om onder begeleiding een drakenkop in elkaar te knutselen, doet zijn behoeftes – wat ook heel inspannend kan zijn –, en weert tijdens de maaltijden voortdurend pogingen af hem dingen te laten eten die hij niet lust teneinde zijn maagje vrij te houden voor dingen („chips”) die hij, een halfuurtje later, wél lust.

Na zo’n dag met zoveel wisselende indrukken zou ik ’s avonds de slaap niet meer kunnen vatten, maar hij valt al in slaap nog voor we de deur van zijn kamer bereikt hebben.

„Zijn jullie nu niet kapot?” vraagt zijn moeder weleens als ze hem komt ophalen.

Een vraag waarmee je als grootouder moet oppassen. Zeg je volmondig ja, dan afficheer je je als een verdroogd oudje dat niet overweg kan met een nieuwe generatie. Een ontkennend antwoord kan worden uitgelegd als een „zich groothouden” omwille van de lieve familievrede.

Zo eenvoudig is het ook niet. Het antwoord zit ergens tussen die twee uitersten. Het valt niet te ontkennen dat het grootouderschap moeilijke aspecten kent. Wat doe je als hij lastig is? Hem aanpakken, zoals je vroeger je eigen kinderen aanpakte? Ik voel daarin bij ons aarzelingen. Verder vind ik het heel prettig als ik weer een krantenartikel kan lezen zonder veertien keer onderbroken te worden.

Maar ‘kapot’? Dat is het woord niet. Het (ant)woord is eerder te vinden in de dialoog die ik met mijn vrouw na dit weekend had. „Zou jij nog een klein kind willen hebben?” vroeg ze. „Nee”, zei ik resoluut, „ik geniet van Glenn als hij er is, maar ik geniet ook weer van mijn vrijheid als hij er niet is.”

Ik denk niet dat Glenn mij nu van zelfzuchtigheid zal beschuldigen. Hij houdt wel van nuances. Toen zijn moeder hem vroeg of hij bij opa en oma genoten had, zei hij: „Ja, maar het was jammer dat jullie er niet bij waren.”