Den Haag, Srebrenica en de Europees-Russische breuklijn

De Belgradose krant Blic meldde begin deze maand dat de Servische autoriteiten voor eind augustus – dus deze week nog – de Bosnisch-Servische oorlogsmisdadiger Ratko Mladic zouden oppakken en uitleveren aan het Joegoslavië-tribunaal. Het zou de Nederlandse regering een kopzorg schelen.

Volgende week bespreken de Europese ministers van Buitenlandse Zaken in Avignon de verhouding tot Servië. 25 lidstaten willen Belgrado handelsvoordelen bieden, een opstapje naar lidmaatschap van de Unie. Twee leden hielden het tot nu toe tegen: België en vooral Nederland.

Ook na de spectaculaire arrestatie van Karadzic, in juli, vond minister Verhagen dat Servië „niet genoeg” had gedaan. Eerst moest het „volledig samenwerken” met het Joegoslavië-tribunaal, oftewel Karadzic daadwerkelijk naar Scheveningen overvliegen en beide laatste verdachten uitleveren, waaronder Mladic. Ook in de Tweede Kamer was de teneur: wij laten ons niet door Servische mediastunts om de tuin leiden, euforie is niet op zijn plaats, afspraak is afspraak.

Waarom zegt vooral Den Haag dat? Zijn de andere 25 landen van de Unie dom? Of is er meer aan de hand?

Het officiële Nederlandse verhaal is dat Servië moet tonen de Europese normen van rechtsstaat en democratie te respecteren alvorens een plaats in de wachtkamer van de Unie te verwerven. Tegen dit beginsel valt weinig in te brengen. Op een minder verheven plan speelt allicht mee dat Nederland het gastland is van het Joegoslavië-tribunaal en dat België sinds begin dit jaar de hoofdaanklager levert (Serge Brammertz, opvolger van Carla del Ponte). Maar dit zijn toevalligheden die niemand de voorvechters van het internationale recht zou aanrekenen.

Tot nu toe werd het Nederlands-Belgische legalisme door de andere landen gerespecteerd. Ook werkte de Europese verdeeldheid uitstekend richting Belgrado, als ‘good cop, bad cop’-tactiek. Tenzij hoofdaanklager Brammertz spoedig verklaart dat Servië volledig aan het tribunaal meewerkt, is er in de Haagse logica weinig reden van standpunt te veranderen. Weliswaar zit Karadzic inmiddels in Scheveningen (dat puntje kan worden afgevinkt), maar Mladic en Hadzic zijn nog voortvluchtig.

Om twee redenen wordt dit verhaal onhoudbaar. Ten eerste is de situatie in de zomervakantie dramatisch veranderd. Op de Kaukasus voerden Rusland en Georgië oorlog. Inzet is de grens tussen de Russische en de Europees-Atlantische invloedssfeer. Op deze breuklijn – die tot 1989 nog dwars door Berlijn liep – liggen onder meer Servië, Oekraïne en Georgië. Naar gelang het volksgemoed kunnen deze staten kantelen tussen de Europese Unie en Moskou. In termen van de Amerikaanse verkiezingen: het zijn swing states. Ter herinnering: bij de Servische presidentsverkiezingen eerder dit jaar won de Europagezinde democraat Tadic met circa 52 tegen 48 procent van de Moskougezinde nationalist Nikolic; de partij van die laatste wordt geleid vanuit de gevangenis van Scheveningen, door de nationalist Seselj.

De grote meerderheid van de leden van de Unie vindt het voor de gezamenlijke veiligheid essentieel om Servië aan onze kant van de breuklijn met Rusland te hebben. Een van de lessen uit het conflict om Zuid-Ossetië is dat etnische conflicten aan de Russisch-Europese grens bloedgevaarlijk zijn. Een situatie met enerzijds Slovenië, Kroatië, Bosnië, Macedonië en Kosovo in de Europese ruimte en anderzijds Servië als vazalstaat van Moskou is een recept voor onheil. Zolang de Europees-Russische breuklijn dwars door het Servische electoraat loopt en de pro-Europese regeringscoalitie in Belgrado instabiel is, is het zaak geen risico’s te nemen.

Naar verwachting zullen de andere 25 leden de druk op Den Haag en Brussel flink opvoeren om Servië steviger in het magnetisch veld van de Unie te brengen. Nederland moet bedenken of uitlevering van twee oorlogsmisdadigers een zwaarder nationaal belang is dan de veiligheid aan de Europese oostgrens. Dit vergt een politiek oordeel. Het volstaat niet als kantoorklerk met ongewijzigde juridische voorwaarden te zwaaien, terwijl het politiek-militaire front heftig in beweging is. Hopelijk beseft de regering dit. Idealiter benutten Balkenende en Verhagen de situatie om de Kamer en de publieke opinie te vertellen dat de Unie meer is dan een rechtsruimte (die ons vanouds bevalt), maar een politiek verband ten dienste van het machtsevenwicht op het continent (hetgeen schijnt te wennen).

De tweede reden dat de Nederlandse positie onhoudbaar is: de balk in ons oog. Het kost weinig moeite in het Haagse gehannes met Belgrado een spook uit het recente verleden te ontwaren: Srebrenica. Nederlandse soldaten lieten in 1995 Mladic’ mannen hun gang gaan bij het vermoorden van meer dan 7.000 Bosnische moslims. Overste Karremans complimenteerde de Bosnisch-Servische legeraanvoerder met zijn „sterke manoeuvres”, terwijl in Zagreb werd gevierd dat op één na al onze jongens ongeschonden thuiskwamen. Dit zijn onze partners niet vergeten.

Hoewel de publieke opinie snel aanvoelde dat er iets niet pluis was, weigerde politiek Den Haag consequent de morele implicaties van deze ramp onder ogen te zien. Het dienstdoende scala aan uitvluchten, drogredenen, rapporten, fotorelletjes en constitutioneel gerommel is meesterlijk opgetekend in Raymond van den Boogaards Zilverstad: de Haagse verduistering van het drama-Srebrenica (2005). Wie dit pijnlijk-hilarische boek herleest, beseft hoe diep het slechte geweten zit. Het geeft de huidige gelijkhebberige rechtschapenheid jegens Belgrado en onze partners een nare smaak. Politiek Den Haag zou op zijn minst wantrouwend jegens de eigen motieven mogen zijn. Rancune is een slechte raadgever.

Dit is de eerste bijdrage van politiek filosoof Luuk van Middelaar. Van Middelaar (1973) was medewerker van eurocommissaris Bolkestein en VVD-fractieleider Van Aartsen. Hij werkt aan een proefschrift over de EU.

    • Luuk van Middelaar