De sigaar zijn

Ik weet dat er lezers zijn die vinden dat ik te vaak of te gretig schrijf over de zelfkant van onze taal. Daar valt meer over te zeggen, maar laat ik me nu hiertoe beperken: soms kom je er niet onder uit. We zijn hier bezig met een serie over de invloed van het roken op onze taal (het eind van de serie komt in zicht) en dan kun je er bij de pijp niet onder uit dat de pijp uitkloppen wordt gebruikt voor ‘geslachtsgemeenschap hebben’. We zijn nu aanbeland bij de sigaar en dan kan ik niet voorbijgaan aan de bekendste uitdrukking met deze rookwaar, namelijk de sigaar zijn.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het wetenschappelijke woordenboek voor het Nederlands, vermeldt bij sigaar drie betekenissen: 1. „een rolletje vast ineengewerkte tabak, van een dekblad voorzien, bestemd om gerookt te worden”; 2. volksnaam voor de lisdodde, en 3. „in toepassing op het mannelijk lid”. Bij die derde betekenis staat: „Hierbij blijkbaar de sigaar zijn, de dupe zijn, de zondebok zijn, vergelijk de lul zijn.”

Ik zou het graag over de sigaar hebben, maar opeens gaat het dus toch over het mannelijk lid.

Voor we dieper ingaan op het ontstaan van deze uitdrukking, eerst dit. De eerste sigaren werden vanuit Cuba en Latijns-Amerika naar Europa verscheept. In 1717 werd in Sevilla in Spanje de eerste Europese sigarenfabriek geopend. In onze streken kwam de sigaar pas aan het begin van de 19de eeuw in de mode. In 1826 werd de eerste Nederlandse sigarenfabriek geopend, in Kampen. Aanvankelijk rookte men sigaren hier met een pijpje, het sigarenpijpje, en vervolgens zonder, wat sommigen erg onhygiënisch vonden. Vooral onder studenten was de sigaar al snel erg populair.

Niet alle studenten ging het roken van sigaren overigens even goed af. In 1833 schreef Gerrit van der Linde Jz., beter bekend als De Schoolmeester, aan een vriend: „Verschoon de kortheid van mijn geschrijf, ik heb gisteren een sigaar verkeerd in mijn hoofd gestoken en daardoor mijn mond gebrand zoodat de verschrikkelijke folterpijn die mij martelt, mij belet verder te schrijven.”

In de loop van de 19de eeuw kwam de sigaar in verschillende uitdrukkingen terecht. In de soldatentaal werd sigaren uitdelen gebruikt voor ‘berispingen uitdelen’. In het Belgisch-Nederlands zegt men een sigaar krijgen voor ‘een standje krijgen’. Algemeen bekend is de sigaar uit eigen doos, voor een geschenk waarvoor je zelf betaalt.

Volgens de spreekwoordendeskundige F.A. Stoett dankt de uitdrukking de sigaar zijn haar populariteit aan een toneelstuk van Herman Bouber, getiteld De Jantjes. Dit stuk ging in 1920 in première, beleefde ruim 1.500 voorstellingen en werd vervolgens een paar keer verfilmd. In het stuk komt een lied voor getiteld Wordt nooit verliefd, dat werd geschreven en gezongen door Louis Davids. Het refrein luidt: „Wordt nooit verliefd, want dan ben je verloren,/ Je zeilt er in tot allebei je ooren;/ Wordt nooit verliefd, meisjes, wat ik zeg is waar:/ Als je verliefd wordt, dan ben je de sigaar.”

Inderdaad zien we de sigaar zijn vanaf De Jantjes in de kranten opduiken. Dat die uitdrukking indertijd kon ontstaan, zegt ook iets over de positie van de sigaar. Die had inmiddels een geduchte concurrent gekregen: de sigaret, het succesvolste genotmiddel ooit.

Ewoud Sanders

Reacties naar:sanders@nrc.nl