Auto-industrie vernietigt miljarden beurswaarde

Amerikaanse automakers presteren ronduit slecht op de beurs, maar hun Europese en Aziatische concurrenten doen het niet veel beter.

Wie hebben hun aandeelhouders meer schade berokkend: de autoproducenten uit Detroit of hun concurrenten?

Het is niet zo moeilijk om te veronderstellen dat dat de eerstgenoemden zijn. Ford en General motors (GM) zijn immers verslaafd aan uit de mode geraakte, benzineslurpende terreinwagens, draaien er grote hoeveelheden kapitaal doorheen en zijn opnieuw het onderwerp van faillissementszorgen. GM heeft de slechtst presterende aandelenkoers, die al bijna 80 procent is gedaald ten opzichte van het hoogtepunt van vorig jaar.

Niettemin hebben vijf van de grootste buitenlandse concurrenten van de fabrikanten uit Motor City in absolute termen nog meer waarde verspeeld. Daimler heeft zijn aandeelhouders bijvoorbeeld drie maal zo veel verlies opgeleverd als GM, en Toyota meer dan het dubbele. Voeg daar de neergang bij BMW, Fiat en Renault aan toe en de sector heeft voor 180 miljard dollar aan marktwaarde vernietigd sinds de aandelenkoersen tussen juli en oktober vorig jaar hun hoogtepunten bereikten. Dat is zes keer zo veel als de gezamenlijke waardevernietiging van Ford en GM. Neem de daling bij Peugeot in de berekeningen mee en het verlies van de auto-industrie buiten de VS komt zelfs uit op 190 miljard dollar.

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Diverse concerns hebben immers betrekkelijk goede resultaten gemeld over het eerste half jaar. Maar ook al zijn deze concerns veel gezonder dan de Grote Drie van Motown, ze zijn niet immuun voor de tegenwind waarmee de hele sector te kampen heeft. De stijgende grondstoffenprijzen zijn een grote zorg, met name die van staal, hoewel diverse Europese firma’s een deel van de pijn wisten uit te stellen door de prijzen voor 2008 eind vorig jaar te bevriezen.

De hoge olieprijs heeft de vraag naar benzineslurpende monsters doen inzakken, ongeacht de naam van de producent. Neem Toyota. Hoewel dit concern vaak wordt aangeprezen als het voorbeeld dat Detroit zou moeten volgen, werd het ook in verleiding gebracht door de vette winsten op trucks en terreinwagens, die vorig jaar meer dan 40 procent van de Amerikaanse omzet voor hun rekening namen. De Japanse reus heeft personeel moeten ontslaan en zijn winstverwachting drastisch moeten bijstellen.

Bovendien krijgen alle autoproducenten nu de rekening gepresenteerd van het makkelijke lenen uit het verleden, waardoor over de hele linie de lease-activiteiten onder druk staan en sommige bedrijven zich gedwongen zien te bezuinigen en afboekingen te accepteren. De lease-activiteiten vertegenwoordigden 60 procent van de Amerikaanse omzet van BMW en 55 procent van die van Daimler – veel meer dan het sectorgemiddelde van 20 procent. Veel concerns hebben nu ook te kampen met uit hun voegen gegroeide voorraden, doordat ze – net als hun noodlijdende Amerikaanse branchegenoten – de vermindering van de vraag niet vroeg genoeg hebben onderkend om de productie tijdig te beperken.

Van de grote autoproducenten heeft alleen Volkswagen de inzinking weten te vermijden. De aandelen van het concern worden boven het hoogtepunt van vorig jaar verhandeld, ondanks het feit dat ze dit voorjaar een tijd lang een kwart lager stonden. De kracht van het aandeel is waarschijnlijk grotendeels het gevolg van het geleidelijke overnameproces door de bevriende Duitse autoproducent Porsche.

Uiteraard staan de Europese en Aziatische autoproducenten er op de langere termijn veel beter voor dan hun branchegenoten uit Motown: ze maken nog steeds winst en ze hebben niet dezelfde structurele problemen. Maar het pak slaag dat ze op de aandelenmarkten hebben opgelopen, moet beleggers het gevoel geven dat ze zijn overreden door een truck.

© Breaking views. Vertaling: Menno Grootveld