Zingende botoxlippen

In Sovjetsferen vaart de boot over de Wolga naar de geboorteplaats van Lenin. Maar de verveelde nieuwe rijken drinken voor duizenden roebels hun eenzaamheid weg.

De Wolga, ergens tussen Kazan en Samara Foto’s Oleg Klimov Tourist's boat Kazan-Samara for the article of Michel Krielaars. Photo by Oleg Klimov vlaggen Klimov, Oleg

Op de kade in de haven van Kazan zit een bejaarde dame met op schoot een boodschappentas vol eten. Ze snoept er stiekem van, alsof het ten koste gaat van haar proviand voor de rest van de maand. „Gaat u straks ook aan boord?”, vraag ik. „Nee”, zegt ze. „Ik kom uit Kazan en maak alleen een dagtochtje op het water.”

Zelf hopen we met de Pjotr Alabin naar het 450 kilometer zuidelijker gelegen Samara te varen. De Pjotr Alabin is een zestig jaar oud cruiseschip, gebouwd onder Stalin en vernoemd naar een vroegere gouverneur van Samara. Maar als we aan de matrozen vragen of ze nog plaats hebben, zeggen ze vastbesloten ‘nee’.

Ervaring heeft geleerd dat je in Rusland in zo’n geval naar de hoogste machthebber moet vragen. Na een paar minuten komt de kapitein naar beneden. „Natuurlijk hebben we plaats”, zegt de vriendelijke Tataar. „Maar u moet wel toestemming vragen aan de eigenaar.” Hij geeft ons het telefoonnummer van de rederij.

Een half uur later mogen we aan boord. De ons vaag beloofde luxehut op het kapiteinsdek blijkt aan twee jonge vriendinnen van de eigenaar te zijn toegewezen, studentes van het ruimtevaartinstituut in Kazan. Ze hebben voor een maand kleding bij zich, want om het uur flaneren ze in een andere jurk over een van de twee dekken. Voor ons is een krappe, muffe kajuit beschikbaar, met stapelbed, wc en douche.

De Pjotr Alabin ademt vergane Sovjetglorie, die gekleed gaat in groen en bruin. Groen van het glaswerk in de deuren en stoffen, bruin van de sierlijk bewerkte houten lambriseringen. We weten dan alleen nog niet dat de Pjotr Alabin tijdens de Tsjernobylramp in het crisisgebied als hospitaalschip heeft gediend.

Een half uur later vertrekken we op de maten van de mars Vaarwel Duitsland, vaarwel van het Rode Leger. We zijn de enige buitenlanders.

Zodra de Pjotr Alabin zijn steven heeft gekeerd, tuffen we de Wolga op. De rivier wordt breder en lijkt op sommige plaatsen wel een zee. De oevers staan vol houten huizen, groot en klein, nieuw en oud, maar alle mooi. Een enkele keer verstoort een protserig nieuwbouwpaleis het zicht.

Na een uur verschijnt op het achterdek een accordeonist. Hij heeft muziek bij zich met liederen uit het Sovjetrepertoire. De meeste gaan over de oorlog, het Rode Leger, de geliefde die naar het slagveld is. Hij begint te spelen. Zijn Tataarse kop straalt gemeende weemoed uit.

Iedereen, jong en oud, kent de liederen uit het hoofd. De melancholie hangt om de gezichten. „We hoorden die muziek onze hele jeugd in de oude oorlogsfilms die op televisie werden uitgezonden”, zegt de 19-jarige Olja, die de bar beheert en ook aan het ruimtevaartinstituut studeert.

Zelfs de twee vrouwen met de botoxlippen zingen mee. In een paar minuten veranderen ze weer in onschuldige meisjes, die nog van andere dingen kunnen genieten dan alleen juwelen en dure kleren met veel koperbeslag. De twee patsers met wie ze getrouwd zijn, hangen aan de bar en gieten zich vol met Jack Daniels whisky om hun vroegere liefjes daarna nog meer te negeren dan ze al deden.

Stipt om zes uur begint de Jacques Tati-film, als de accordeonist stopt. Galja, een van de pursers, komt naar boven. Streng beveelt ze ons naar de eetzaal te gaan voor het diner.

Zo’n veertig vriendelijke, zwijgzame medepassagiers zitten klaar voor het driegangenmenu, dat deels al op tafel staat. Een klein slaatje, een kop soep, een lap rundvlees met rijst, een cakeje.

We worden als buitenlanders aan de middentafel gepositioneerd, zodat iedereen ons goed kan zien. De overige eters zitten aan achtpersoonstafels. Het zijn voor het grootste deel vrouwen van middelbare leeftijd, die met elkaar op stap zijn, of families van moeder, dochter en kleindochter. Er wordt niet geconverseerd, maar in hoog tempo gegeten, om zo snel mogelijk van tafel te kunnen.

Na afloop van het avondeten swingen op het benedendek drie gezette vijftigsters op de discomuziek die de militaire mars al uren geleden heeft vervangen. Ze komen uit Samara en zijn voor het eerst in hun leven in Kazan geweest. „Wat een prachtige stad met al die nieuwe gebouwen”, zegt een van hen. Mooi staat voor haar en haar vriendinnen gelijk aan duur en rijk, terwijl de nieuwbouw in Kazan toch veel wegheeft van Hoofddorp.

Het aangename weer van de middag heeft plaatsgemaakt voor een stevige bries en motregen. De Wolga heeft een woest gezicht en golft met krullende, witte snorren. Land is alleen nog maar in de verte te ontwaren. Op een van de oude leren banken in de gang zitten de twee botoxvrouwen. Een van hen huilt. Ze klaagt over haar man, die met de gouden ketting om zijn nek.

Aan de bar op het bovendek hangen alleen de twee vriendinnen van de eigenaar. Hun lange benen steken uit modieuze minirokjes. Ze zijn mooi, maar chagrijnig en verwend. Na een paar glazen Cointreau schakelen ze over op Armeense cognac en Jack Daniels. In een uur tijd drinken ze voor een paar duizend roebel weg, het maandelijkse pensioen van de bejaarde dames aan boord.

Dan waggelt purser Galja de bar binnen. Haar pens puilt over haar zwembroek. Op mijn vraag of dit haar beroep is, antwoordt ze: „Alleen tussen juni en eind september. De rest van het jaar ben ik stripteasedanseres. Zo dadelijk geef ik in de disco een privévoorstelling. Kom je ook?”

De Pjotr Alabin met zijn ruim honderd passagiers en tien bemanningsleden koerst verder door de nacht. In de disco dansen de gezette middelbare vrouwen naast jonge meisjes. Een eenzame man vormt het begeerde middelpunt. Het is een schoolfeestje voor volwassenen, een bal der eenzamen, dat danst op Abba’s Fernando.

Als ik in mijn kajuit lig, hoor ik de twee vriendinnen van de baas giechelen. Ze hebben aanspraak gekregen van twee matrozen. De hele nacht praten ze door, hun geklets overstemt het woeste dansen van de Wolga tegen de boeg.

Bij het ontbijt om half zeven zien de twee vriendinnen eruit als verzopen katten. „Hebben jullie hoofdpijn?”, vraag ik als ze na de pap van tafel weglopen. De rest van de reis zullen ze me die opmerking niet vergeven.

Alle passagiers komen uit Samara. De meesten maken voor het eerst in hun leven een reis naar Kazan en terug. De tocht is een dure grap voor hen, terwijl de Pjotr Alabin een van de goedkoopste schepen is op het traject. Voor drie dagen, inclusief drie maaltijden per dag, samenzang, discotheek betalen ze slechts 7.500 roebel per persoon. „Maar 7.500 roebel (210 euro) is veel voor ons”, zegt de 53-jarige Aljona, die maandelijks net iets minder dan dat bedrag verdient.

In de loop van de middag doen we Oeljanovsk aan, de geboortestad van Ruslands Vader des Vaderlands Vladimir Iljitsj Oeljanov, ook wel Lenin genaamd. Op de kade staat de bus voor de rondleiding al klaar. Onze nieuwe vrienden zijn blij dat we meegaan.

Onze lokale gids is Valentina Michajlova, een beschaafde vijftigster. In twee uur tijd voert ze ons langs de hoogtepunten van haar stad. Ze citeert voortdurend uit het hoofd gedichten en brieven van Poesjkin en Ivan Gontsjarov, de vader van de humoristische roman Oblomov.

Oeljanovsk, vroeger Simbirsk geheten, is een van de mooiste en schoonste steden die we tot nog toe aan de Wolga hebben gezien. In het centrum is alles wat de moeite waard is, behouden en goed gerestaureerd. De huizen waarin Lenin heeft gewoond vormen een hoogtepunt.

Valentina raakt niet uitgesproken over Lenin, zijn moeder en vader, zijn door de tsaar geëxecuteerde broer. Ze laat alleen na de honderdduizenden te vermelden die hij in het begin van zijn regime heeft laten vermoorden.

Gontsjarov krijgt een andere behandeling, misschien wel omdat hij kunstenaar is. Net als Lenin kom je hem overal in de stad tegen, maar dan op een vriendelijkere en niet-fanatieke manier. Op de gevel van een theater dat naar hem is vernoemd, op de gedenksteen van zijn rode geboortehuis, op het standbeeld van de naar Lenin vernoemde bibliotheek waar zijn boekencollectie wordt bewaard en die geldt als een van de beste van Rusland. Het mooiste eerbetoon is het oranje paleis dat in 1914 ter nagedachtenis aan hem op de hoge Wolga-oever is gebouwd en nu een museum huisvest. De literatuur wedijvert in Oeljanovsk met de politiek.

Tot mijn verbazing vergeet Valentina niet te melden dat op de andere oever van de Wolga in het verleden de kernfysicus en mensenrechtenactivist Andrej Sacharov heeft gewerkt.

Aan het einde van de wandelpromenade op de hoge Wolga-oever van Oeljanovsk ligt op het Leninplein het Leninmuseum. Het is een reusachtig betonnen complex. Italiaanse opera-aria’s galmen uit enorme luidsprekers, opgesteld rond een ritmisch spuitende fontein. Dat Leninmuseum is geheel rond het houten geboortehuis van de Grote Leider opgetrokken. „Het geboortehuis is nu een museum voor volkskunst”, zegt Valentina trots. De vrouwen uit ons gezelschap poseren als fotomodellen bij de voordeur. Lenin is nog altijd sexy.

In de Leninstraat (voorheen Moskoustraat), met zijn voorbeeldig geconserveerde houten huizen uit de negentiende eeuw, durf ik Valentina eindelijk te vragen waarom Simbirsk toch zo anders is dan de meeste Russische steden. „Onze stad is met 600.000 inwoners klein”, antwoordt ze. „Maar zij is de rustigste, schoonste, groenste en ordelijkste stad van ons land. Ik hoop dat u dat wilt opschrijven.”

Ik dank haar voor haar commentaar, waarop zij fluistert: „Hoe gaat u onze stad in uw artikel noemen? Oeljanovsk of Simbirsk?” Me bewust van het belang dat in Rusland gehecht wordt aan het patriottisme, antwoord ik: „Oeljanovsk natuurlijk, want Lenin is een belangrijke historische figuur.”

Valentina slaakt een zucht van verlichting. „Daar ben ik blij om, want in Moskou willen ze onze stad weer in Simbirsk omdopen en dat kunnen we Lenin toch niet aandoen.”

Terug aan boord herhalen de rituelen zich. De Pjotr Alabin vaart opnieuw de avond tegemoet. Na het diner begint om stipt tien uur de disco, die twee uur later uitdooft. Alleen in de bar zitten nog de twee vriendinnen van de reder. De laatste fles Jack Daniels moet op.

    • Michel Krielaars