‘Wens mij maar sterkte’

Een jonge vrouw op zoek naar een passende functie werkt, om in haar levensonderhoud te voorzien, tijdelijk als werkster voor een thuiszorginstelling. Tweede deel van een korte serie.

Op zijn rolstoel na lijkt het een normale man. Ik schat hem halverwege de vijftig en hij draagt een vlotte spijkerbroek. Zijn haren zijn gekamd en zijn snor is met zorg geknipt. Ook zijn stem klinkt helder en het verbaast me niet dat hij telefonist is. Hij komt net van zijn werk, zegt hij, en nu zal hij mij eens aan het werk zetten. Hij grinnikt.

Eerst moet alle schone was worden gestreken. „Ook de onderbroeken?” vraag ik, omdat ik dat zelf wat overbodig vind. „Ja alles, dat zeg ik toch.” Het blijkt maar om één exemplaar te gaan. Misschien hoeven mensen in rolstoelen zich minder vaak te verschonen.

Hij sommeert me de strijkplank in de woonkamer te zetten, zodat hij mij kan zien. Daarna rolt hij zijn rolstoel in de deuropening en wendt hij zijn blik niet meer van me af. Zijn grijze slip heeft een breed elastiek, waardoor de bovenkant rimpelt. Dit is lastig strijken. Ik trek het elastiek over de plank en duw, terwijl mijn linkerhand de gulp spreidt, met mijn rechterhand de bout over het katoen. Stom, ik ben goed in strijken, maar als iemand toekijkt word ik zenuwachtig. Zeker als ik onder zijn ogen zijn ondergoed betast.

De wasmand is leeg en opgelucht de kamer te mogen verlaten, pak ik de stapel gestreken kleren en loop naar de deuropening. „Pardon”, zeg ik. Traag rolt de man naar voren en ik moet me zijwaarts draaien en de stapel boven mijn hoofd tillen om de rolstoel te kunnen passeren. Ik voel zijn adem langs mijn buik strijken.

Ik hoor dat hij zijn rolstoel keert en achter me aan rolt. Hij posteert zich in de hal en houdt zijn blik strak op me gericht als ik de stapel kleren in de kast leg en daarna zijn bed opmaak. Het is een hoog invalidenbed, waar hij waarschijnlijk zonder hulp in en uit kan klimmen. Terwijl ik het hoeslaken gladstrijk, stel ik me voor hoe dat eruit ziet. Steunend op zijn armen slingert hij dan zijn logge witte lijf over de rand van het bed en trekt hij met zijn handen zijn benen naar het midden. En dan ligt hij daar, alleen.

„Stop maar strak in bij het uiteinde.” Ik schrik van zijn stem in de stilte. Bij zijn voeten? Is dat niet vervelend? Zonder te antwoorden doe ik wat hij vraagt.

Als hij dan in bed ligt, verlangt hij dan naar een vrouw? Ja, natuurlijk doet hij dat. Hij heeft misschien geen behoorlijke benen, maar waarschijnlijk wel uitstekende hormonen. Bij de gedachte dat hij zich ’s avonds bevredigt in dit bed, voel ik me misselijk worden.

De klok tikt twaalf, de tijd is om. „Waar bewaart u het logboek?” Ik heb de vraag al gesteld als ik het boek op zijn schoot zie liggen. Hij reikt het me aan en heel even voel ik zijn warme hand tegen de mijne. Ik beperk mijn notitie tot ‘HHW’, huishoudelijk werk, en sla het boek gauw dicht. Ik wuif vluchtig. „Tot volgende week.”

Wanneer ik de hal inloop, komt de wijkverpleegster me tegemoet. „Was je bij meneer Hendriks?” vraagt ze. Ik knik. „En je bent er heelhuids doorheen gekomen? Nou meid, wens mij maar sterkte.” Ze knipoogt. Opgelucht lach ik terug.

    • Jet Berkhout