Verliezen is een zonde in onze samenleving

Topsporters die verliezen, worden verstoten, stelt Guus van Holland. Verliezers zijn outcasts, losers, ze vormen een gevaar voor onze maatschappij.

Verliezen is een zonde in onze samenleving Tekening David Smith Smith, David

Wie beseft het in deze dagen van opwinding over medailles nog? Dat al die sporters die nu hebben deelgenomen aan de Olympische Spelen, meer dan een olympiade lang in een tunnel hebben geleefd. Dat ze al die jaren geconcentreerd, geconditioneerd, geïsoleerd en vooral geobsedeerd hebben toegeleefd naar de ultieme prestatie op het podium in China. Altijd hebben ze gemoeten: een topsporter die niet voelt dat hij moet, zal niet winnen. Maar is het niet een verplichting die hij zichzelf oplegt? Wie zo graag pijn wil lijden moet maar pijn lijden, zo is de heersende opvatting. Eigen keus, eigen verantwoordelijkheid. Wie verliest moet niet klagen, wegwezen.

Talentvolle sporters die zich door spartaanse trainingen hebben opgewerkt tot topsporters, kampioens- en medaillekandidaten, maar uiteindelijk niet de vurig gewenste medailles hebben behaald, beseffen het terdege. Zij waren al voor zij hun ultieme prestatie moesten leveren in de armen gevallen van mensen die wilden meehelpen aan het succes en wilden meedelen in de aanstaande triomf. Het begon bij ouders en familie wier trots werd aangesproken zodra bleek dat een van hun telgen een potentiële winnaar was. Toen volgden omgeving, trainers, club, sponsors, nationale bond, politici, volk, natie en de altijd ongeduldige media die graag aandacht en ruimte besteden aan aanstaande kampioenen. Aan supporters hebben kampioenen nooit gebrek.

Maar wie geeft nog ‘support’ wanneer het kampioenschap niet is behaald? Wie heeft nog aandacht voor de verliezer die een olympiade lang in een cocon leefde, weliswaar vooral ter meerdere eer en glorie van zichzelf, maar ook van het hunkerende volk, de betrokken politici én de opportunistische media?

Stress met als gevolg depressiviteit is een volksziekte geworden, over een jaar of tien volksziekte nummer één, zo wordt beweerd. Wie zich er nog niet door besmet weet, mist de moed of is te gevoelloos om te erkennen dat hij op weg is naar een dilemma in zijn gevoelsleven. Te gesloten, te geïsoleerd, te bang, domweg omdat in een prestatiemaatschappij verliezers verdoemden zijn.

Verliezen is een zonde in onze samenleving. Wie klaagt over overspanning van de geest moet niet zeuren, maar gewoon doorgaan. Wie klaagt over overspannen spieren, heeft zijn best gedaan en krijgt een schouderklopje en ‘de nodige’ rust. Maar de gekwetste geest wordt te weinig serieus genomen. Wie sterk is krijgt een beloning, wie zwak is wordt liefst genegeerd. Anders moet je maar gaan nadenken aan over wat verkeerd is in deze wereld.

Neem topsporters, een uitverkoren groep die zich ogenschijnlijk alles toe-eigent wat de ‘gewone’ burger tot zijn frustratie niet krijgt. Topsporters hebben meer te doorstaan dan ze durven toegeven, meer ook dan de media hun kijkers en lezers willen doen geloven. Maar wat gebeurt met een sporter die obstakels heeft overwonnen maar op het cruciale moment niet wint? Faalt hij? Ja, want wie niet aan de verwachtingen voldoet, faalt.

Falen is een beladen begrip geworden, omdat het begrip verliezen niet meer toereikend is. Machines falen, mensen niet. Een winnaar is heilig, een verliezer een slachtoffer. Verliezen is onvergeeflijk, een vergissing is dom, een slechte dag geen excuus, wie aan de spanning bezwijkt is zwak. Voordat de verliezende topsporter het beseft, is hij overgeleverd aan de hyena’s. Verliezers zijn outcasts, losers, ze vormen een gevaar voor onze samenleving.

Navraag bij sportpsychologen heeft geleerd dat in Nederland nauwelijks inzicht is in het mentale leed dat topsport aanricht. De een zegt het uit te zoeken, de andere dat hem geen extreme gevallen bekend zijn van topsporters die tijdens of na hun loopbaan in psychische nood verkeerden. Zo gaan wij om met potentiële helden die het niet waarmaken en zijn bezweken aan de spanning.

Hoewel ons wel berichtjes bereiken van sporters die ‘er’ aan ten onder zijn gegaan, reïntegratieproblemen hebben, moeten afkicken van doping en leefritmes, en last hebben van versleten spieren en gewrichten, overbelaste en beschadigde organen, mentale stoornissen met aanverwante eetstoornissen, geen zin in seks, geen zin in alles, gebrek aan opwinding, doet dat er in sportland niets toe. Of minderjarige turnsters die plotseling afhaken, tot teleurstelling van familie, coaches en sponsors. Wielrenners die zich al op jonge leeftijd drogeren en later nog jaren zoeken naar een menselijker leven. Is er nog aandacht voor?

Dezer dagen gaat de aandacht uitsluitend uit naar medailles. Hoeveel medailles heeft Nederland nu? Het doet er niet toe in welke sport, of het nu wildwaterkanoën is, beachvolleybal, waterpolo, taekwondo, marathonzwemmen of fietscross. Sporten waarin doorgaans niemand is geïnteresseerd, staan door de jacht op medailles ineens in de belangstelling.

Wanneer Nederland hoog op de medailleranglijst eindigt, gaat er een wave door het land. Zo trots zijn we op onze jongens en meisjes, op onze beleidsmakers, op hun sport- gezondheidszorg. Succes is goed voor het zelfbeeld. Vast wel. Als een wildwaterkanoër goud heeft gewonnen, gaan meer mensen wildwaterkanoën, wordt ook beweerd. Het is nooit bewezen. Sportsucces is vluchtig en roem vergankelijk. Sportsocioloog Maarten van Bottenburg heeft daar in 1994 in ‘Verborgen Competitie’ al een hoofdstuk aan gewijd. Het ‘Ard en Keessie-effect’ duurde maar kort. Een waterpolosucces zet mensen maar even aan tot waterpolo. Volgende week is er een andere hype die mensen opwindt.

Al die mensen in China, chef de mission van de Nederlandse ploeg Van Commenée voorop, in de polonaise gevolgd door premier Balkenende, staatssecretaris Sport Bussemaker, staatssecretaris Defensie De Vries met zijn sportsoldaten, prins Willem-Alexander en prinses Máxima, trekken mensen in hun kielzog mee die niet beseffen wie zij aanzetten tot prestaties. Zoals sponsors en politici die er slechts op uit zijn goede sier te maken met kampioenen en de verliezers aan hun lot overlaten. Of zou de regeringsleider ook ongelukkige verliezers ontvangen om ze als gevallen helden te eren voor hun inzet? Niet dus. Verliezers zijn slecht voor het imago van het volk. Het superioriteitsgevoel dat veel Nederlanders zich aanmeten, is vernietigend voor kwetsbare mensen als topsporters.

In Sports Illustrated stond een paar jaar geleden een artikel dat inzicht verschaft in het mentale leed dat veel sporters moeten doorstaan. Het quotum gebruikte antidepressiva onder topsporters overtrof het (vermeende) quotum aan stimulerende middelen. Atleten, skiërs, football-spelers, honkballers, basketballers, golfers en kunstschaatsers melden zich in groten getale bij psychiaters wegens pogingen tot zelfdestructie of worden ernaar verwezen wegens ‘afwijkend’ gedrag. Links en rechts een zelfmoord, vaak een langdurige psychiatrische behandeling van sporters die niet begrijpen dat juist zij de weg kwijt zijn, depressief zijn geworden en de wereld niet meer aankunnen. Me? Depressed? How could that be? I’m an athlete!

Het artikel vermeldde onder meer een olympisch kampioen. Hij won, maar emoties toonde hij niet op het moment van zijn triomf. Hij wist niet meer wat emoties zijn, had hij nooit geleerd en ervaren, stoer als zijn omgeving was. Hij trok zich terug in zijn eigen wereld vol eenzame ervaringen en sportte als een autist. Met als gevolg zware depressies. Verder een eenzame kampioene met een leven zonder liefde, football-spelers die zich isoleerden of voortdurend als masker een zonnebril droegen uit angst voor media en andere ongewenste aandacht. Topatleten die geen atletiekbaan meer konden zien, fobisch als ze waren geworden. Een gebroken been wordt geaccepteerd, een gebroken hart wijst op mentale zwakheid.

In Nederland zijn ze er ook, mensen die verslaafd zijn geweest aan topsport maar nu niet meer bestaan. Ze zijn teleurgesteld in hun omgeving en zoeken naar aandacht – verslaafd als ze aan aandacht zijn. Nazorg voor topsporters is er wel, maar het wordt steeds minder. Publieke aandacht is er al helemaal niet meer.

Stel eens voor: ik ben marathonloper, in elke wedstrijd die ik de afgelopen vier jaar heb gelopen eindig ik bij de eerste twintig. Ik ren elke dag minimaal twee uur, ga naar de sportschool voor krachttraining, eet en drink zoals het moet, slik voedingssupplementen, ga vroeg naar bed, verwaarloos mijn seksleven en mijn partner, drink slechts vier glazen wijn per week, gehoorzaam mijn trainer, mijn sponsor en mijn omgeving (‘wanneer win je weer eens?’), geef twee keer per maand een interview (dat moet van mijn sponsor), ga twee maanden naar de Alpen om te trainen en word voor de televisie gepresenteerd als dé kanshebber voor een medaille.

Op de dag van de wedstrijd ben ik te gespannen, mijn maag houdt het eten niet binnen, de voedingssupplementen werken niet, de spanning slaat in mijn lijf, de mentale preek van de sponsor, de regeringsleider, de prins en mijn vader jagen mijn adrenaline over de grens. Ik ben geen normaal mens meer!

Ik verlies. Televisie, radio en krantenverslaggevers vangen mij op als ze nog geïnteresseerd zijn. De rest laat me vallen. Ik heb verloren, het wordt mij kwalijk genomen. Een foutje, een slechte dag, slechte nacht, verkeerde voeding, spiertje dat protesteert, onverwerkt jeugdtrauma dat zich openbaart in de wedstrijd, verloren liefde, hersens die niet meer werken, benen die zwabberen, hitte, vocht, toeval, mijn leven is een quiz. Ik word afgemaakt, verstoten, niet meer waardig om te leven. Ik besta niet meer.

Poging tot zelfmoord onder topsporters in de Verenigde Staten komt voor, zoals Sports Illustrated meldde. Ook in Nederland dreigen topsporters aan de noodrem te trekken (of deden het). Onbekend is wie en hoeveel. Waarom weten we dat niet? Omdat Balkenende en zijn geestverwanten dat niet willen laten zien. Wij zijn immers een samenleving van winnaars. Mensen die niet het talent hebben om te winnen, worden genegeerd. Ze moeten maar beter hun best doen. Hoe sociaal zijn wij nog? Rolmodellen hebben een functie, maar hoe zit het met mensen die psychisch (als gevolg van trauma’s) of fysiek met minder bedeeld zijn?

Hoe zich te verweren tegen de risico’s van het sportleven? Meer dan de helft van de sporters en ex-sporters is tevreden, heeft ervan geleerd en zegt dankzij hun sportervaring klaar te zijn voor het leven. Ik geloof het niet, dat was vroeger toen topsporters nog niet onder zware druk stonden. Topsport is niet leuk. Topsport is voor mensen die niet tevreden zijn met wat ze zijn en wat ze hebben. Natuurlijk is het ook een uitdaging om te zien waartoe je lichaam en geest in staat zijn. Wie de top wil halen moet heel jong beginnen, in de periode dat kinderen verantwoord moeten worden opgevoed door ouders – en niet door trainers, en zeker niet in oefenkampen. Ik heb over topsporters en kampioenen gelezen die na hun carrière niet meer konden lopen door versleten gewrichten of aan persoonlijkheidsstoornissen leden. Ver van de schijnwerpers, waaraan ze zo verslaafd zijn geraakt.

Verliezers zijn lastig en verstoren ons comfortabele leven. Met winnaars kun je feestvieren, met verliezers moet je huilen. Het zou sociaal zijn wanneer straks bij thuiskomst niet alleen de medaillewinnaars worden gehuldigd maar alle deelnemers – dus ook de verliezers, de geblesseerden, ziek geworden sporters en net-niet-winnaars. Ook zij hebben hun uiterste best gedaan. Leren kun je van verliezen, misschien wel meer dan van winnen. In boeddhistische termen: een nederlaag is een moment van bezinning.

Guus van Holland is redacteur van NRC Handelsblad.

    • Guus van Holland