Panda’s, auto’s en aids passen in kijk op China, ophef Tibet niet

Het Olympisch Museum in Lausanne organiseert over ieder olympisch gastland een tentoonstelling. Over China wil het meer tonen dan sport alleen. ‘Politiek’ en ‘Tibet’ zijn afwezig.

Mejuffrouw Pan is een jonge Chinese met een strak gebloemd jurkje en lang wapperend haar. Elke dag neemt zij opgewekt de bus naar haar werk. Tot 2005 betaalde ze met kleingeld. Maar wat een gedrang om bij de chauffeur te komen en af te rekenen! Nu heeft ze de Yikatong-chipkaart en is ze van het gedonder af. Veel mensen in Beijing gebruiken de Yikatong-kaart. „Dat is erg praktisch”, zegt mejuffrouw Pan met een euforische glimlach. „Ik hoop dat ik er binnenkort ook in winkelcentra mee kan betalen.”

Wie iets wil weten over het alledaagse China, komt op de tentoonstelling ‘Beijing 2008’ in het Olympisch Museum in het Zwitserse Lausanne ruimschoots aan zijn trekken. Of het nu mejuffrouw Pan is met haar chipkaart, een stokoude gekromde kapper die uitlegt hoe „dingen zo snel veranderd zijn” of een caféhouder die autochtonen herkent aan de manier waarop ze ‘douzhi’ (bonensap) drinken – dankzij videofilmpjes van kunstenaars, bloggers en studenten van de sport-universiteit in Beijing dring je vanuit Lausanne rechtstreeks door in Chinese huiskamers, strandtenten en parken.

„Ongecensureerd”, staat erbij. Termen als ‘mensenrechten’, ‘politiek’ en dergelijke worden echter zorgvuldig vermeden, zelfs in algemene en dus ‘pijnlozer’ termen. Dat is bewust.

In een olympisch jaar zet het museum in Lausanne – waar ook het Olympisch Comité (IOC) gehuisvest is – altijd een tentoonstelling op over het gastland. De bedoeling is „een brug bouwen tussen dat land en onze samenleving”. Maar hoe doe je dat met China? Het land maakt razendsnelle transformaties door. Wat laat je zien? Wat blijft achterwege?

Eenvijfde van de wereldbevolking woont in China. Het land dat lange tijd economisch weinig voorstelde, waar iedereen schijnbaar in Mao-jasjes liep en met stokjes at – dat land is nu een economische reus met een eigen cybercultuur, een bloeiende handel in moderne kunst en een steeds actievere rol in de wereldpolitiek.

Het museum nam een Zwitserse sinoloog in de arm. Die wilde vooral laten zien dat de oude clichés niet langer volstaan. Daarom is ‘Beijing 2008’ breder dan sport alleen.

Sterker, het is de grootste tentoonstelling in het museum ooit. En de duurste, al weigert men te zeggen hoeveel ervoor is uitgetrokken – financiële transparantie is geen olympisch handelsmerk. De opening was in februari, bij Chinees nieuwjaar, en loopt tot oktober. Conservator Frédérique Jamolli antwoordde in februari op de vraag of de kwestie van de mensenrechten niet ook aan de orde had moeten komen: „Het IOC is geen tribunaal.” En volgens sinoloog Gérald Béroud „gaat het er ons niet om China in het beklaagdenbankje te zetten, maar te proberen iets van dat land te begrijpen voor we oordelen.”

Een maand later, in maart, werden de rellen in de autonome regio Tibet door Chinese soldaten neergeslagen. Sindsdien is die kwestie ook in Lausanne nadrukkelijker aan de orde. Marc Vuilleumier, de linkse sportwethouder, heeft zelfs een protestdemonstratie van Tibetanen bijgewoond, pal voor het museum. „Wij moeten opkomen voor de onderdrukten”, vindt de wethouder. „En de onderdrukten zijn duidelijk de Tibetanen. Maar als ik met mijn professionele pet op spreek: de stad is met het IOC getrouwd. In voor- én tegenspoed.”

Dus klimt de bezoeker de trappen op naar het museum, dat er voor de gelegenheid uitziet als pagode. De bezoekers zijn vanmiddag vooral schoolkinderen en Chinezen. Binnen zijn er, naast de permanente expositie over de Olympische Spelen door de jaren heen – waar iedere hint richting de politiek eveneens wordt vermeden – drie zalen voor China. Er hangen rode doeken waarop foto’s en films zijn geprojecteerd. Uitleg staat op rode papiertjes aan zwarte bamboestokken.

In de eerste zaal leer je dat Chinezen al sinds de Tang- en Song-dynastieën voor elke voetbalvoorzet een apart woord hebben (zoals ‘meteoren die achter de maan aanzitten’). En dat de eerste profclub van China pas in 1994 werd opgericht. „Sport werd in de twintigste eeuw gezien als een soort militaire dienst”, staat er. Er zijn video’s van cheerleaders anno 2008 waar de mannen wild van worden, en over een oude vrouw die elke ochtend fitnesst in het park en zegt: „Ik heb geen medicijnen nodig!” Achter haar zingen andere oudjes: „Beijing is zo’n oude stad, elke dag gaat ze vooruit.”

Een reclamespotje voor een sportschoenenmerk laat zien dat sport in China minder collectief en etatistisch wordt. Een juf staat voor het schoolbord met een aanwijsstok. Een jongen komt binnen. Ze steekt de stok in zijn richting en roept: „Waarom ben je weer laat?” Hij trekt een floret en ze beginnen elegant te schermen.

Verderop, in de afdeling ‘Veranderende Moraal’, hangt een foto van de eerste transseksueel van China. Ook wordt aids niet meer gezien als ‘buitenlandse import’ en neemt het aantal echtscheidingen toe. Na de vaststelling dat de éénkindpolitiek miljoenen verwende ‘kleine keizertjes’ heeft gekweekt, vult kunstenares Jang Jiu twee wanden met pictogrammen over China en Duitsland (waar zij woont). Een van haar observaties is dat Duitsers de auto uitkomen en de fiets op gaan, in China is het net andersom.

IOC-voorzitter Jacques Rogge, die zich flink moest verantwoorden voor het houden van de Spelen in Beijing, noemt milieuvervuiling „het grootste probleem van China”. Maar de schoolkinderen laten waterprojecten en luchtvervuiling voor wat ze zijn en rennen naar de maquette van het stadion in Beijing, het ‘vogelnest’ van twee Zwitserse architecten. Dan verdringen ze zich voor het paneel met de panda’s. Daar leren ze wat Chinese kinderen wordt bijgebracht: dat panda’s vroeger wit waren. Maar op een dag gingen de beesten naar de begrafenis van een jong meisje, stapten met hun poten in de as en wreven toen tranen uit hun ogen. Dat zwart ging er nooit meer af.

Ook krijgt de bezoeker informatie over olympische mascottes, de architectuur van Beijing en het leven in de Verboden Stad. Het enige wat in het museum niet aan de orde komt, is de situatie in Tibet.

Website Olympisch Museum: olympic.org/museum

Dit is het laatste stuk van Caroline de Gruyter als correspondent in Genève. Na de zomer wordt zij een van de correspondenten van deze krant in Brussel.

    • Caroline de Gruyter