Oude en nieuwe jongens

Over twee weken praat de Europese Unie in Avignon over Rusland. Veel nieuwe lidstaten nemen een afwijzende houding aan tegenover Rusland, de oude leden zijn pragma-tischer. „De nieuwe weten hoe het is om onderdrukt en geïntimideerd te worden.”

De presidenten van Frankrijk en Rusland, Sarkozy en Medvedev Foto AFP Russian President Dmitry Medvedev (R) speaks with his French counterpart Nicolas Sarkozy (L) during their news conference in Moscow on August 12, 2008. The European Union is prepared to deploy peacekeepers in Georgia if all parties to the conflict there agree, French President Nicolas Sarkozy said Tuesday. AFP PHOTO / RIA NOVOSTI / KREMLIN POOL / MIKHAIL KLIMENYEV AFP

De Tsjechische premier Mirek Topolánek glimlachte een beetje vals. Hij gaf een persconferentie in Brussel en de vraag die hij kreeg ging over het Tsjechische parlement. Dat dreigt tegen het nieuwe EU-verdrag te stemmen, net als de Ieren in juni in een referendum hebben gedaan, en daarmee ook – volgens de machtige EU-landen Duitsland en Frankrijk – tegen verdere uitbreiding van de EU. Hoe geloofwaardig was het Tsjechische parlement dan nog in de ogen van het publiek? Tsjechië was zelf nog maar net lid van de EU.

Mirek Topolánek zei: „Ik weet niet of u de politiek in mijn land volgt, maar in de ogen van het publiek is ons parlement allang niet meer geloofwaardig.”

Typisch Tsjechische humor, zeggen sommigen in Brussel. Anderen zeggen: dit krijg je als je in korte tijd twaalf nieuwe landen – vooral uit Midden- en Oost-Europa – toelaat tot de Europese Unie. Daar zijn ook landen bij waar ze nog moeten leren hoe democratie werkt. Waar ze nog niet snappen dat een premier in bijna elk ander EU-land zou moeten aftreden als hij zo’n grap maakte.

Bij het gebouw van de Europese Raad, waar ministers en regeringsleiders vergaderen als ze in Brussel zijn, stonden de Franse en de Duitse ministers van Buitenlandse Zaken vorige week lang met journalisten te praten. De gevechten tussen Georgische en Russische troepen zouden ophouden. EU-voorzitter Frankrijk had bemiddeld, en als je bemiddelt, moet je natuurlijk geen schuldige gaan aanwijzen.

De ministers uit Midden- en Oost-Europa, die ook naar Brussel waren gekomen voor de extra EU-vergadering over Georgië, liepen meteen door. Zij hadden al wel een schuldige aangewezen. Sterker nog: de presidenten van Polen, Estland, Letland en Litouwen hadden een dag eerder nog samen met hun Georgische collega hand in hand op het podium gestaan.

In Brussel wilden ze het feestje van vooral de Fransen niet verpesten. Iedereen wist dat de vorige voorzitter van de EU, het ‘nieuwe’ EU-land Slovenië, door Rusland nooit zo serieus zou zijn genomen als Frankrijk. En: wat zou Polen hebben gedaan als het EU-voorzitter was?

Het staakt-het-vuren was een Europees succes, maar alleen omdat het de Franse president was die naar Moskou reisde.

Het zou een moeilijke vergadering worden. De nieuwe landen voelden zich bedreigd door wat er in Georgië gebeurde. Rusland zou ook de ‘eigen burgers’ in andere buurlanden kunnen gaan ‘beschermen’. De nieuwe EU-landen wisten dat de oude lidstaten dat niet zomaar zouden begrijpen. Die wilden vooral graag dat de relatie met Rusland, dat gas en olie levert, goed bleef.

In 2004 werden tien landen lid van de Europese Unie, in 2007 nog eens twee. Gebrek aan democratisch besef van die landen of een moeizame relatie met Rusland die het gevolg zou kunnen zijn van hun toetreding, waren niet de grootste zorgen die de andere Europese landen toen hadden over ‘de nieuwen’. In Brussel denken diplomaten, bestuurders en politici dat het de Europese Unie uiteindelijk altijd wel lukt om anderen democratische waarden bij te brengen – ook als het gaat om landen waarvan het tot nu toe steeds de bedoeling was dat ze op een dag bij de Europese Unie zullen horen: Kroatië, Macedonië, Turkije, Bosnië, Servië, Kosovo.

De zorg ging vooral over de EU zelf: kon die met 27 leden nog wel net zo veel en net zulke belangrijke beslissingen nemen als met 15? Zouden de nieuwe landen samen proberen om de EU andere besluiten te laten nemen dan de rest wilde?

Het nieuwe EU-verdrag, dat in 2009 had moeten gaan gelden, was vooral bedoeld voor een Europese Unie met veel leden. Er staat bijvoorbeeld in dat één land minder vaak een beslissing zou kunnen tegenhouden dan nu.

De Duitse bondskanselier Angela Merkel en de Franse president Nicolas Sarkozy hebben al een paar keer gezegd dat er geen nieuwe landen meer bij de Europese Unie kunnen komen als de regels niet veranderd worden.

Over twee weken praten de Europese ministers opnieuw over Rusland, tijdens een vergadering in Avignon. Als de oorlog in de Kaukasus voorbij is, zeiden de ‘oude’ lidstaten vorige week in Brussel, zullen we het eens rustig gaan hebben over onze samenwerking met dat land.

Niet eerder waren de tegenstellingen tussen de oude en de nieuwe landen in de Europese Unie zo scherp. Polen hield al wel eerder de onderhandelingen tegen over een nieuw samenwerkingsverdrag met Rusland, omdat Rusland vlees uit Polen weigerde te importeren. Daarna was het Litouwen dat de onderhandelingen maandenlang tegenhield.

Sinds het begin van de zomer praten de Europese landen en Rusland toch met elkaar over een nieuw verdrag dat de politieke en economische samenwerking regelt. Tijdens een topbijeenkomst van de EU met Rusland, eind juni in Siberië, waren de onderhandelingen feestelijk begonnen. Er was een concert, er was een diner en tijdens de persconferentie na de bijeenkomst keek de Russische president Dmitri Medvedev zijn Europese collega’s vriendelijk aan – al was lang niet alles wat hij zei aardig bedoeld.

Hij wilde niet klagen over de Europese Unie, zei hij. Maar ‘verontrustend’ was het wel: het werd steeds moeilijker om met de EU afspraken te maken, omdat die zo groot was geworden en alleen een beslissing nam als alle lidstaten het ermee eens waren.

„Zo werkt democratie”, zei de voorzitter van de Europese Commissie, José Manuel Barroso, die naast hem zat. Het zou „een voorbeeld” kunnen zijn voor andere landen.

In Brussel zelf was er tot nu toe bijna geen diplomaat, ambtenaar of Europarlementariër die de uitbreiding met Midden- en Oost-Europese landen een slecht idee vond. Het gaat nog lang niet helemaal goed, de nieuwe landen moeten nog veel leren. Maar politiek werd Europa, na de val van de Muur, stabieler door de uitbreiding. Ook economisch was het goed voor Europa. En de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, kwam niet met minder voorstellen of regels dan vóór 2004.

Als er in Brussel wél twijfels zijn over de uitbreiding van de EU, dan gaan die vooral over Bulgarije en Roemenië. En niet omdat deze landen te weinig democratisch zijn of het buitenlands beleid van de EU ingewikkeld maken. Bulgarije en Roemenië, vinden vooral de oude EU-landen, doen te weinig om de corruptie en georganiseerde misdaad te bestrijden. De Europese Commissie schreef er begin dit jaar een tussentijds verslag over, als waarschuwing. Volgens de Roemeense ambassadeur bij de EU, Mihnea Motoc, viel dat rapport enorm mee. Er stond toch ook dat er ‘positieve ontwikkelingen’ waren?

Dat het definitieve rapport, net vóór de zomer, voor Roemenië ook echt wel meeviel, kwam vooral door Bulgarije: daar werkt de rechtspraak nóg slechter dan in Roemenië, er wordt nauwelijks iets gedaan om corruptie te bestrijden. De EU besliste dat een half miljard euro aan Europese subsidies voorlopig niet aan Bulgarije wordt gegeven.

Bulgaarse ambtenaren en diplomaten hadden de afgelopen maanden erg hun best gedaan voor een milder oordeel. Bulgaarse journalisten hielpen daar graag aan mee. Eind mei liepen ze boos weg bij een persconferentie van het ‘European Competent Forum’, een nieuwe ngo. De Bulgaarse directeur daarvan, Nadya Stefanova, had gezegd hoe westerse landen volgens haar problemen oplossen: ze stellen vast waar die over gaan, ze maken een analyse en komen in actie. In haar eigen land ging dat anders: Bulgaren kenden de problemen wel, maar analyse was er nauwelijks. En al helemaal geen actie. „Als Roemenië en Bulgarije mislukken in de Europese Unie”, zei ze, „zal bij het publiek de steun voor uitbreiding verder afnemen.”

De woordvoerder van de Bulgaarse ambassade bij de EU, die ook bij de persconferentie was, was na afloop bijna in tranen. Het gebeurde de laatste tijd zo vaak, zei ze, dat Bulgaren in Brussel modder gooiden naar hun eigen land. Nu ging ze bier drinken met de journalisten die waren weggelopen.

Het was een Roemeense wetenschapper, op een Duitse universiteit, die begin dit jaar onderzoek deed naar de invloed van het EU-lidmaatschap op de nieuwe landen zelf. Die invloed, zei ze in de International Herald Tribune, was vergelijkbaar met een „kortwerkend verdovingsmiddel”. Haar voorbeeld was de persvrijheid. In de Midden- en Oost-Europese landen, zei ze, bestaat die niet zoals in de EU de bedoeling is. „Belangengroepen kopen media als instrumenten om economische en politieke invloed te verkrijgen.”

Op een hoorzitting in het Europees Parlement over Roma, begin juni, zei de Nederlandse Europarlementariër Jan Marinus Wiersma (PvdA) dat de nieuwe landen hun beloftes niet waren nagekomen. Voordat ze bij de EU kwamen, hadden ze gezegd dat ze de minderheden in hun land beter gingen beschermen. „Meestal ben ik het met Wiersma eens”, zei de Hongaarse Europarlementariër Viktória Mohacsi na afloop. Deze keer was het anders. Mohacsi vindt niet dat haar land de Roma goed beschermt. Ze vindt alleen niet dat de andere EU-landen moeten doen alsof zij beter voor hun minderheden zorgen. „Hoe doet Spanje het dan? Italië? Heeft jullie eigen land niet ook wat problemen?”

Zo denken ze in de nieuwe EU-landen: er is altijd maar kritiek op ons. Is er dan geen corruptie in Italië? En waarom begrijpen de andere landen pas hoe gevaarlijk Rusland is als het Georgië binnenvalt? Tijdens zijn persconferentie met de EU in Siberië klonk de Russische president Medvedev dreigend. De nieuwe EU-landen, zei hij, moesten niet gaan proberen om de geschiedenis te „herschrijven”. Rusland eiste, om maar wat te noemen, dat de Russische „bevrijders” de eer kregen die ze verdienden. Hij bedoelde Estland, dat vorig jaar een oorlogsmonument uit het centrum van de hoofdstad Tallinn had weggehaald. Het monument was een eerbetoon aan het Rode Leger dat Estland had bevrijd van de nazi’s. De Esten vonden het een symbool van de Sovjet-bezetting.

Russische diplomaten in Brussel hebben het over „fantoompijnen” van de vroegere Sovjetstaten. De problemen die Polen en Litouwen de afgelopen jaren hadden met Rusland – Polen over het importverbod van vlees, Litouwen over de toevoer van Russische olie naar een raffinaderij en over het door Rusland geweigerde onderzoek naar de dood van acht Litouwse grensbewakers in 1991– waren vooral binnenlandse problemen. Hun boosheid tegen Rusland was vooral bedoeld voor de eigen bevolking.

Tijdens vergaderingen in Brussel zeiden de ministers uit die landen dat het om iets heel anders ging: door hun ervaringen met Rusland wisten ze hoe je met dat land moest omgaan.

Volgens de Poolse Europarlementariër Jacek Saryusz-Wolski zit daar het belangrijkste verschil tussen de ‘nieuwe’ en de ‘oude’ EU-landen: de nieuwe weten hoe het is om onderdrukt en geïntimideerd te worden. En dus worden ze, zegt hij, in hun ideeën over het buitenlands beleid van de EU veel meer gedreven door „waarden” en minder door economische belangen. „De anderen vinden dat lastig. Het is makkelijker om vriendelijk te zijn tegen Rusland en hard tegen Wit-Rusland, of om het kleine Georgië in de steek te laten. Of Tibet.”

Die ‘anderen’, diplomaten of ambtenaren uit landen die al heel lang bij de EU horen, zeggen weer dat vooral Polen zielig doet. Dat land wil in Brussel graag duidelijk maken hoe het heeft geleden – tijdens de Tweede Wereldoorlog en in de tijd dat Polen bij het Oostblok hoorde. „Polen”, zegt een EU-ambtenaar, „zou als grootste nieuwe lidstaat beter kunnen proberen om een leiderschapsrol op zich te nemen. De nieuwe lidstaten krijgen samen tot nu toe niks voor elkaar.”

De Litouwse eurocommissaris voor Budget, Dalia Grybauskaite, vindt het een raar idee dat de nieuwe landen zouden moeten samenwerken. „Daar is geen enkele objectieve reden voor. Dat we vroeger een gemeenschappelijke vijand hadden, betekent niet dat we in de EU eensgezind zouden moeten zijn.” Ook de Baltische staten niet. „Het is misschien alsof die op elkaar lijken. Dat is niet waar.”

In Brussel, zegt Grybauskaite, zijn bondgenootschappen ad hoc.

En zelfs in één lidstaat, en zelfs als de belangen gelijk zijn, is zo’n bondgenootschap niet vanzelfsprekend. Er zijn in het Europees Parlement twee Hongaarse Roma: Viktória Mohacsi, die lid is van de liberale fractie, en Lívia Jaroka van de conservatieven. Ze komen, zeggen ze, allebei op voor de Roma in de Europese Unie. Maar ze praten nooit met elkaar. Mohacsi: „Als ik tijdens een zitting vraag om een apart fonds voor de integratie van Roma, is zij de eerste die opstaat om te zeggen dat dat niet nodig is.” De nieuwe lidstaten vinden zelf ook dat ze nog veel moeten leren in Brussel. „Er is een enorme achterstand in ervaring”,

zegt eurocommis-saris Grybauskaite. Vergelijk het met gymnastiek, zegt de Roemeense ambassadeur Mihnea Motoc. „Je moet vooral veel oefeningen doen.” Procedures kun je bestuderen. „Je snapt ze pas echt als je ze meemaakt.”

Maar hoe maak je mee wat er in Brussel informeel wordt geregeld? Hoe kom je aan macht en invloed als je nog niet snapt hoe dát gaat? Er zijn in Brussel nog bijna geen topambtenaren uit landen die in 2004 en 2007 bij de EU kwamen. Als het gaat over de nieuwe functies die er misschien komen in de Europese Unie – een vaste voorzitter, een Europese ‘minister’ van Buitenlandse Zaken – worden bijna nooit namen genoemd van politici of oud-politici uit die twaalf landen. En niet één van de EU-vertegenwoordigingen buiten Europa, zegt Saryusz-Wolski, wordt geleid door een ‘nieuwe’. Hij heeft zelf een invloedrijke positie. Saryusz-Wolski is voorzitter van de buitenlandcommissie van het Europees Parlement. „Maar ik ben de uitzondering die de regel bevestigt. Old boys zijn goed in netwerken, new boys zijn daar minder goed in.”

De new boys zijn niet zomaar onervaren, of in hun eigen land onbekend. Saryusz-Wolski was in Polen minister van Europese Zaken. Mihnea Motoc was staatssecretaris Europese integratie in Roemenië en in New York ambassadeur bij de VN. Dalia Grybauskaite was, voordat ze eurocommissaris werd voor Budget, in Litouwen minister van Financiën. „Onze belangrijkste vergissing”, zegt Grybauskaite, „is dat we denken dat de dingen in Brussel vanzelf gaan. Je moet heel hard vechten als je iets wilt bereiken. Het komt niet uit de lucht vallen.”

Als ze nou eens zouden proberen om samen meer macht en invloed te krijgen? Dat zou „kunstmatig” zijn, zegt Grybauskaite. En verkeerd. „We zijn een vriendschappelijke Unie.”

En Polen heeft geen zin om zich in Brussel te gedragen als leider van de nieuwe EU-landen, zegt Saryusz-Wolski, als die meer zouden willen samenwerken. „We weten hoe het voelt om overheerst te worden. Sinds die tijd haten we leiderschap. We willen niemand onze wil opleggen.”

Is dat dan per se leiderschap? Of kan het ook betekenen dat je de andere lidstaten helpt, dat je ideeën en plannen hebt en probeert om daar steun voor te krijgen bij de anderen? „Misschien”, zegt Saryusz-Wolski. „Maar zullen zij dat ons toestaan?”

Polen is een belangrijk EU-land, zegt de Roemeense ambassadeur Motoc. „Maar wat betreft de omvang van de bevolking komt Roemenië meteen daarna. We hebben allemaal een belangrijke rol in de EU. Dat is wat de EU zo geweldig maakt: we doen alles samen, er is gelijkheid.”

Werd de EU in 2004 en 2007 eigenlijk wel uitgebreid? Of was er, zoals de Poolse Europarlementariër Saryusz-Wolski zegt, sprake van een „historische en morele correctie”? „De Europese Unie was nog maar de helft van Europa. Nu is Europa compleet.”

Je kunt het nauwelijks nog hebben over ‘nieuwe’ lidstaten, vindt de Litouwse eurocommissaris Grybauskaite. „Vier jaar is niet nieuw. En in ons hoofd zijn we al heel lang lid. Al sinds begin jaren negentig waren we bezig met de voorbereidingen.” De Roemeense ambassadeur is er zelfs een beetje geïrriteerd over: „Oud en nieuw, daar moet het helemaal niet meer over gaan als je erin zit.”

Vinden de nieuwe lidstaten dat er de komende jaren nog meer landen bij de EU moeten komen? „Uit puur egoïstische overwegingen moet je zeggen: nee”, zegt Saryusz-Wolski. „Maar het is onze morele plicht, we hebben toezeggingen gedaan.” Aan Turkije, aan landen op de Balkan. „Ik ben er niet tegen”, zegt eurocommissaris Grybauskaite. „De EU kan niet overleven met de deuren dicht.” Maar de Europese Unie is er nu niet klaar voor, vindt ze. „Van het EU-budget gaat 80 procent naar landbouw en regionale ontwikkeling en maar een klein deel gaat naar innovatie, onderzoek en onderwijs. Als we het landbouwbeleid niet veranderen en we nodigen morgen Turkije uit, zal de prijs daarvoor net zo hoog zijn als voor alle twaalf lidstaten samen die er de afgelopen jaren bijgekomen zijn.”

    • Petra de Koning