‘Nederland is te ordentelijk’

De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy houdt Nederland graag een spiegel voor. Nederlanders doen volgens hem niet aan verbeelding en de verzuiling is nog lang niet uitgewerkt. „Dankzij de verzuiling was Nederland een land van minderheden.”

‘De doos van Pandora is geopend. Het onbehagen is blijvend’ Foto Roger Cremers Nederland, Amersfoort, 08-07-2008 James Carleton Kennedy (Orange City (Iowa), Verenigde Staten, 1963) is hoogleraar Geschiedenis van Nederland aan de Universiteit van Amsterdam. Kennedy is een historicus van Amerikaanse afkomst, die ondanks zijn Ierse achternaam is opgegroeid in een Nederlands-Amerikaanse gemeenschap. Hij studeerde Buitenlandse Betrekkingen aan Georgetown University in Washington D.C., theologie aan Calvin College and Seminary in Grand Rapids (Michigan) en geschiedenis aan de Universiteit van Iowa. Van 2003 tot 2007 was Kennedy hoogleraar Contemporaine geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en publiceerde hij enkele studies over de naoorlogse geschiedenis van Nederland. Per 1 september 2007 is hij benoemd tot hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA) PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Een allround hitter, noemt hij zichzelf. De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy kwam vijf jaar geleden naar Nederland en wordt sindsdien bedolven onder vragen wat er toch in vredesnaam met Nederland aan de hand is. Zelf weten we het niet meer, dus een halve Amerikaan moet in onze volksziel peuteren, een heldere diagnose stellen en ons betrouwbare medicijnen voorschrijven.

James Kennedy (1963) doet het graag. Een rol als public intellectual, geheel in Amerikaanse traditie, ligt hem goed. Overal duikt hij op in media en lezingencircuit. Kennedy houdt Nederland vriendelijk een spiegel voor. Hij sprong in de bres voor prinses Máxima die zei dat de Nederlandse identiteit niet bestaat en hij zei dat het de overheid niet past zich te bemoeien met de tekeningen van Gregorius Nekschot of het dragen van een boerka. Een meerderheid moet er voor waken minderheden haar wil op te leggen.

In zijn thuisstaat Michigan was de zoon van een Amerikaanse vader en een Nederlandse moeder aan de rol van publieke vraagbaak nog niet zo toegekomen. Tot 2003 doceerde hij aan Hope College onder meer Nederlandse geschiedenis, in de Verenigde Staten een wat obscuur specialisme. In Amerika schreef hij boeken over de vernieuwingen in de jaren zestig en het euthanasiedebat, die in Nederland opvielen. Een benoeming als hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de protestantse Vrije Universiteit volgde. Vorig jaar maakte hij de overstap naar de Universiteit van Amsterdam. In het faculteitsgebouw aan de Amsterdamse Spuistraat laat Kennedy met een glimlach een door studenten vervaardigd plakkaat zien dat refereert aan een imaginaire ‘Iers-Amerikaanse generaal’ James Kennedy die is ‘overgelopen’ van de Orangisten naar de Patriotten. Het afscheid van de VU was ook een opvallende stap voor een man die zichzelf nog ‘christenhistoricus’ laat noemen. „Maar die term betekent niet dat ik daar een methode aan verbind of een superieur inzicht. God bepaalt de loop van de geschiedenis. Dat is mijn overtuiging. Maar hoe dat werkt, en waar de hand van God zichtbaar is, dat kunnen we niet weten.” Kennedy formuleert bedachtzaam, in goed Nederlands. Vaak laat hij een stilte vallen om zijn gedachten te ordenen.

Vijf jaar geleden zei u in deze krant dat u niet weet of u het hier fijn vindt. Voelt u zich inmiddels thuis?

„In verschillende opzichten wel. Ik ben natuurlijk hier in de samenleving ondergedompeld. Mijn kinderen gaan naar een Nederlandse school. Hoewel ze Amerikaans staatsburger blijven, zijn ze nu vooral Nederlanders geworden. Daar ga ik zelf ook in mee.

„Maar ik heb ook frustraties. Nederland is nog steeds een plek waar dingen eerder worden vastgenageld dan opengemaakt. Een land waar in allerlei opzichten veel goed geregeld is, maar door die vele regels is het moeilijker nieuwe initiatieven te nemen. Ik zie bijvoorbeeld hoe moeilijk het is om gezamenlijk onderzoek van drie faculteiten goed af te stemmen. Misschien gaat mijn frustratie wel over de ordentelijkheid van Nederland.”

Heeft u daar een voorbeeld van uit het dagelijkse leven?

„Ja. Als je hier een binnenstad inrijdt, dan word je op een geniale manier rondgeleid, zonder dat je komt waar je moet zijn. Ik heb een paar jaar moeten wachten op een belastingstatus.”

Dat klinkt al heel erg Nederlands: klagen over het verkeer en de Belastingdienst.

„Als Amerikaan die gewend is vanuit het platteland gewoon een stad in te rijden ervaar ik dat toch wel anders. Maar die ordentelijkheid is ook leuk. Ik ben nog steeds gecharmeerd van alle fietspaden, de toegankelijkheid van de natuur. In Amersfoort, waar ik woon, ben ik binnen tien minuten in bos en hei.”

Wat is voor u typisch Nederlands?

„Toch die befaamde nuchterheid, al zie ik die vooral als interesse in feitelijkheid. Mijn geschiedenisstudenten vertellen een verhaal in de vorm van een reeks feiten. Je weet hier dingen als je de feiten kent. Je weet dingen niet door verbeelding of door theorievorming. Nederlanders bouwen geen luchtkastelen, geen utopieën. Joop den Uyl mag dan een dromer zijn geweest, hij was slechts een halve radicaal. Met wat technische aanpassingen en goede wetgeving, kreeg je een goed geregelde samenleving, was de gedachte. En zelfs dat technocratische maakbaarheidsideaal bleek een brug te ver. Er bestond in Nederland beslist geen Imagine-achtige visie op de toekomst, à la John Lennon.”

Toch was Lennon ook hier enorm populair, net als de utopisten Martin Luther King of Nelson Mandela.

„Die zaten allemaal ver weg. Nooit hier. Dat maakt het vrijblijvender, minder intens. Men leeft mee, maar gaat dan over tot de orde van de dag. Nederland heeft zijn zaken te goed geregeld om echt verbonden te zijn met grote profeten op aarde.”

U bent in die vijf jaar veelvuldig gevraagd naar uw visie op allerhande actuele onderwerpen. Bent u daardoor verrast?

„Overrompeld is een beter woord. Deels komt die interesse natuurlijk doordat er weinig buitenlandse onderzoekers in Nederland wonen en Nederlands spreken. Maar het heeft ook te maken met de onzekerheid waarin Nederland na de moorden op Fortuyn en Van Gogh terecht is gekomen. Nederlanders vragen zich af wie ze zijn. En dan is het fijn als er mensen zijn met een comparatieve blik. Dat was in de jaren zeventig en tachtig heel anders. Toen bestond er een duidelijke publieke identiteit. Nederlanders wisten over het algemeen wel waar ze voor en tegen waren. Een Amerikaan hoefde hun over de Nederlandse identiteit niets te vertellen.”

U becommentarieert hedendaagse vraagstukken. Maar past het een historicus eigenlijk niet wat meer afstand te houden van het heden?

„Goede vraag. Je zou het aan mijn optredens wellicht niet aflezen, maar ik worstel daar mee. Ik word nogal eens gevraagd iets te zeggen over de toekomst. Dan zeg ik altijd: historici zijn slechte zieners. Maar het is wel mijn bedoeling het heden te relativeren door het verleden te tonen. En af en toe is het ook leuk om troost of inspiratie uit het verleden te bieden.”

Welke troost heeft u ons te bieden?

„Als het gaat om levensbeschouwelijke geschillen die nu spelen, bijvoorbeeld. Dan wordt nogal eens gedacht dat daar niet uit te komen is. Toch is dat in het recente verleden steeds aardig gelukt.”

U doelt op de recente discussie over embryoselectie. Zijn daaruit parallellen te trekken naar het Nederlandse debat over euthanasie waar u onderzoek naar heeft gedaan?

„Ja, we’ve been there before. Net als bij euthanasie destijds is er bij embryoselectie een soort compromis uitgedacht. Betrekkelijk liberaal, maar niet volledig. Dat is gelukt. Dus je kunt je afvragen: waar maakt men zich druk over? Wat dat betreft lijkt de discussie over embryoselectie eerder op die over abortus in de jaren zeventig. Over euthanasie is altijd betrekkelijk terughoudend gediscussieerd, maar over abortus is een felle strijd gevoerd. De afgelopen tijd leek de polarisatie in de discussie over embryoselectie even op die in het abortusdebat.”

Op welke felheid doelt u?

„Bijvoorbeeld hoe de ChristenUnie (die zich keerde tegen de uitbreiding van embryoselectie, red.) werd aangevallen door NRC Handelsblad. In het hoofdredactionele commentaar werd gesproken van ‘dwingelandij’. Dat vond ik buiten proportie. Die felheid lijkt voort te komen uit angst dat ‘zij’ zullen zegevieren. Maar de orthodox-protestanten zijn slechts een kleine minderheid in Nederland, de macht van de traditionele christelijke moraal is voorgoed gebroken. Het is begrijpelijk dat de ChristenUnie wil wat zij wil, net zoals het begrijpelijk is dat andere partijen zich daar weer tegen verzetten.”

U bent zelf praktiserend gereformeerd en uw vrouw is raadslid voor de ChristenUnie in Amersfoort. Beïnvloedt dat niet uw oordeel?

„Nee. Ik ben geen lid van een Nederlandse politieke partij. En ik heb ook mijn bedenkingen bij christelijke partijen. Dat zal wel met mijn Amerikaanse achtergrond te maken hebben. Christenen moeten voorzichtig zijn met de vorm die zij geven aan politieke macht. Tegelijkertijd word ik wel geraakt door verwijten aan religieuze minderheden dat zij intolerant zouden zijn. Dat is achterhaald. Dat christenen in het verleden intolerant zijn geweest, neem ik voor waar aan. Maar nu is het veel meer de vraag hoe een niet-religieus geïnspireerde meerderheid met haar minderheden omgaat. Alsof religieuze groepen het monopolie hebben op intolerantie. Intolerantie wordt echt gevaarlijk als groepen macht hebben. Hoe meer macht mensen hebben, hoe beter ze moeten zorgen dat ze niet intolerant zijn.”

Er is in Nederland een meerderheid ontstaan die minderheden haar wil probeert op te leggen, is uw stelling.

„Ja. Het voordeel van de verzuilingsperiode was dat Nederland een land van minderheden was. Die volksdelen konden niet van elkaar eisen dat de ander zich moest aanpassen. In de jaren negentig ontstond er een dominante cultuur: liberaal, seculier, blank. Het leek het ‘einde van de geschiedenis’. In het huidige decennium klinkt vanuit die meerderheid: het is dan misschien toch niet het einde van de geschiedenis geworden, maar jullie moeten je wel aan ons aanpassen.

,,Het klinkt ook op uit het laatste boek van Paul Scheffer over immigratie. Uiteindelijk is er bij hem sprake van een ‘wij’ waar de ander zich aan zal moeten aanpassen. Maar een diverse samenleving is hard werken. Dat betekent aanpassen over en weer. Het zoeken naar een gemeenschappelijke identiteit is legitiem, maar houd de uitkomst open.”

In 2002 zei u te verwachten dat de radicale sfeer in de politiek na de moord op Fortuyn niet lang zou aanhouden. Maar de SP is nu de grootste oppositiepartij en op rechts trekken Wilders en Verdonk veel stemmen. De felheid van de straat heeft zich verplaatst naar scheldkanonnades op internet. Waarom is de rust niet teruggekeerd?

„Ik zei toen dat het radicale zou verdwijnen, maar het onbehagen zou blijven. De Doos van Pandora is geopend. Er is heel veel negatieve energie ontketend. En die wordt weer aangewakkerd door de media, vooral door internet met zijn anonimiteit. Dat is een belangrijke basis voor al het gescheld dat inderdaad een groot deel van de publieke sfeer kenmerkt. Maar er is geen sprake van voortdurende radicale crisis, eerder een chronische conditie van onbehagen. Het publieke domein is ontregeld, ook wat religie betreft. Religie bevindt zich niet meer in de voorspelbare hokken waar ze tijdens de verzuiling zat, maar duikt overal op in het openbare leven. Dat zorgt voor veel angst, heftigheid en een nogal onaangename publieke sfeer.”

Doelt u op de islam of is het breder?

„Het geldt natuurlijk voornamelijk de islam, maar het is breder. Ook bij de ChristenUnie is ontregeling door de toename van ‘nieuwe’ christenen. Kijk naar de affaire rond Yvette Lont die stelling neemt tegen homo’s. Huub Oosterhuis die lijstduwer wordt van de SP, religieuze werkgroepen binnen de PvdA, voor het eerst in veertig jaar.”

Gaat de onrust weer over?

„Het zijn ook de natuurlijke perikelen van een 21ste-eeuwse democratie waarin de vertrouwde politieke vormen minder vanzelfsprekend zijn. De mogelijkheden tot publieke uiting zijn enorm toegenomen. Het is moeilijk voor te stellen dat het met de komst van nieuwe politieke leiders en de helende gevolgen van de tijd zomaar beter wordt. Typerend voor Nederland is wel dat er zo veel mensen onder de indruk zijn van die heftigheid. En ook opvallend is dat het vertrouwen van Nederlanders in de samenleving zo klein is. Hun eigen leven beoordelen ze positief, de samenleving negatief. Ik verwacht dat Nederland er voorlopig nog wel zal uitspringen als het gaat om scherpe polemiek en lawaaiige publieke sfeer.

„Toch moeten we Nederland niet te bijzonder maken. Het is eerder opmerkelijk dat Nederland de grillige politiek die ze nu heeft, zo laat heeft gekregen. Eigenlijk is de grote vraag: hoe kan Nederland zo lang zo stabiel zijn gebleven? In andere landen kreeg de kakofonie van stemmen en onderling wantrouwen al eerder in de 20ste eeuw gestalte.”

Is dat dan toch weer die ‘good old’ verzuiling? Heeft die veel langer doorgewerkt dan we allemaal dachten?

„Ja, dat denk ik wel. Nog steeds bepalen partijen en organisaties van de verzuiling een belangrijk deel van het publieke leven. Vanaf de jaren zestig ontstond wel een groot probleem: steeds meer mensen haakten af. Maar de verzuilde organisaties raakten hun monopolie niet kwijt door de diepe worteling in de Nederlandse machtsstructuren. Hun antwoord op het probleem was verzakelijking en professionalisering. Toch werden de organisaties wel brozer doordat ze minder konden leunen op een betrouwbare achterban. En dat heeft hen kwetsbaar gemaakt.”

Het optreden van iemand als Rita Verdonk met Trots op Nederland lijkt erg on-Nederlands. Is dit de ‘nieuwe politiek’ die ons te wachten staat?

„Historisch kun je inderdaad zeggen dat Verdonk van het dominante Nederlandse patroon afwijkt, maar haar succes is goed verklaarbaar. De greep van de gevestigde politiek is sterk afgenomen. Met goed leiderschap, goede programma’s en een wat welwillender publiek, kunnen de gevestigde partijen weer sterker worden. Maar Nederland zal nooit meer een land worden van klassieke partijen met achterbannen die de dingen overlaten aan hun leiders. Wat wel continuïteit geeft, is dat Nederlanders niet bijzonder politiek denken. Ze geven anders vorm aan hun burgerschap dan Fransen die de barricades beklimmen of Amerikanen die hun geweer grijpen. Geen revolutie dus in Nederland, maar wel een chronisch onbehagen dat licht destabiliserend zal blijven werken.”

Nederland had toch niet zo veel met sterke, charismatische leiders?

„Dat is lang zo geweest, zeker sinds de jaren zestig. Anders dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten was hier geen behoefte aan leiders die zich sterk als persoon profileerden. Iemand mocht best een leidende rol spelen, maar hij moest het niet te gek maken.

„Toch zijn er in de moderne Nederlandse geschiedenis eerder charismatische leiders geweest. In de late negentiende eeuw werden voormannen als Domela Nieuwenhuis (socialistenleider, red.) of Abraham Kuyper (leider van de gereformeerden, red.) als reuzen gezien. Dat waren mannen met uitstraling, bevlogen door een ideologie of geloof. Net als nu was dat een tijd van mobilisatie van heftige gevoelens. Er waren grote vragen over de inrichting van de samenleving (als het kiesrecht en sociale wetgeving, red.). Het was ook de tijd van het ontstaan van de grote levensbeschouwelijke ideologieën en hun instellingen.

„In onze tijd ligt het niet voor de hand dat er weer nieuwe grote levensbeschouwelijke instellingen gaan ontstaan. Maar je kunt wel zeggen dat de publieke inrichting opnieuw wordt ingevuld. Waarschijnlijk door talloze gefragmenteerde instellingen die coalities sluiten, netwerken vormen, die komen en gaan. En er lijkt meer ruimte voor dynamische inspirerende figuren, die een eigen visie uitdragen, zoals Fortuyn, Wilders of Verdonk. Nederland was lang een land van instituten, verenigingen, organisaties. Maar als die wegvallen, of niet meer vanzelfsprekend het goede doen, op wie moet je dan leunen? Tegelijk blijven Nederlanders daarmee worstelen. Eigenlijk vinden ze het niks, zulk persoonlijk leiderschap.”

Vernieuwingsdrift, in de jaren zestig, is een thema in uw werk. Zijn de recente discussies over de opeengestapelde vernieuwingen in het onderwijs daar ook een voorbeeld van?

„Dat is absoluut ook in het onderwijs te zien. Maar wat ik destijds misschien onvoldoende inzag, was dat er in Nederland ook sterke tegenhangers van vernieuwing zijn. Instanties zijn moeilijk in beweging te krijgen. Het vernieuwingsbeginsel wordt vaak naast het bestaande geplaatst. Zoals op universiteiten het systeem van bachelors en masters functioneert naast het oude systeem. Dat maakt alles veel ingewikkelder. Nederland is zeker geen dynamische samenleving die altijd in de bres springt voor vernieuwing. Het is meer een soort bestuursspel: politici, bestuurders, managers signaleren ontwikkelingen en willen beslist niet achterblijven. Soms leidt dat tot radicale hervormingen, maar meestal is de verandering veel bescheidener. Vaak is er binnen zes maanden ook weer een nieuwe visie. Ik herinner me nog levendig dat ik voor een gehoor van docenten sprak over Nederland. Toen ik het woord vernieuwing in de mond nam, werd dat met hoon ontvangen.”

Is die vernieuwingslust ook op andere terreinen te zien? Europa? Globalisering? De bekritiseerde verkoop van ABN Amro waar niemand iets tegen deed?

„Inderdaad. Nederland is geen land waar men zich hevig verzet tegen iets waarvan men denkt dat het onvermijdelijk is. Je vernieuwt omdat je daarmee denkt greep te houden op die onafwendbaar lijkende ontwikkeling. Maar of het wel de beste optie is, daar wordt niet diep over nagedacht.”

Vernieuwingen lijken ook uw geboorteland in hun greep te krijgen, getuige de meest interessante presidentsverkiezingen sinds jaren. Gaan de VS radicaal veranderen?

„Nee. Er komt geen total make-over. De tegenstellingen tussen de grote partijen blijven even groot en even onvruchtbaar als altijd. Wel heerst er enorm pessimisme over de staat van de economie. Zo erg is het een kwart eeuw of langer niet geweest.”

Voelt u zich erg betrokken?

„Voor het eerst sinds jaren heb ik me weer bij een partij aangesloten om mee te kunnen doen met de voorverkiezingen.”

Kennedy aarzelt lang of hij een naam wil noemen. Uiteindelijk doet hij het toch. „Ik heb me aangemeld bij de Democraten en heb gestemd op Obama. Maar in 2000 heb ik me aangemeld bij de Republikeinen om voor McCain te stemmen die toen de uitdager was van George Bush. Obama en McCain zijn beiden kandidaten die zich in het verleden onafhankelijk hebben opgesteld. Voor Obama geldt dat hij de kandidaat is die de verhouding van Amerika met de rest van de wereld op slag kan verbeteren. Dat is voor mij belangrijk. In dat opzicht ben ik wel een soort Amerikaanse patriot. Ik ontken het leed niet dat mijn land soms veroorzaakt. Toch denk ik dat het voor de VS en voor de wereld vaak goed is dat de VS een sterke machtspositie hebben. Maar daar moeten de VS prudent mee omgaan. De Amerikaanse legitimiteit is gebaseerd op morele aanspraken. Bush heeft daarin gefaald en de macht van de VS verspeeld. Dat vooral neem ik hem kwalijk.”

    • Jaco Alberts