Mentale kracht als belangrijkste wapen in finale

De hockeysters behaalden voor het eerst sinds 1984 olympisch goud. Niet toevallig is de begeleiding van de hockeyploeg deels hetzelfde als die van de gouden waterpolovrouwen.

Twee vrouwenteams, twee keer goud. Een dag nadat de Nederlandse waterpoloploeg het ‘wonder van Peking’ verrichtte door in de olympische finale wereldkampioen Amerika te verslaan, eisten de hockeysters de gouden medaille die Nederland al sinds de Spelen van Los Angeles (1984) tevergeefs had nagejaagd.

In het broeierige Olympic Green Hockey Stadium was het team van bondscoach Marc Lammers te sterk voor China. Nederland had het niet makkelijk, maar was wel beter en gaf weinig weg. Dankzij Naomi van As en Maartje Goderie werd het verdiend 2-0.

Voor Lammers, die na acht jaar op de best denkbare manier afscheid nam van zijn ploeg, was de klinische wijze waarop het lastige karwei werd opgeknapt het beste bewijs dat hij klaar is met zijn werk. „Ik had net zo goed in het hotel kunnen gaan kijken.”

Lammers doelde daarmee op de heksenketel waarin de hockeysters terecht waren gekomen, veroorzaakt door onophoudelijke aanmoedigingen van de Chinese en de Nederlandse toeschouwers. Het leverde een sfeer op die zeldzaam is voor een hockeywedstrijd. „Ik stond alleen maar te kijken hoe de speelsters het deden, want ze hoorden me toch niet”, zei Lammers. Hij constateerde ook dat zijn speelsters hem niet nodig hadden. „Je ziet hoe ver deze ploeg is, ze zijn zelfsturend. Daar ben ik trots op. Ze wisten precies wat ze moesten doen. Geduld hebben, dan komt het vanzelf. Ik heb er zelf niet van kunnen genieten, ik was te gespannen. Ze hebben mij in de rust zelfs gerustgesteld.”

De volwassenheid van de hockeysters, die twee jaar geleden al wereldkampioen werden met Lammers, deed denken aan de manier waarop de Nederlandse waterpolosters een etmaal eerder hadden afgerekend met de Verenigde Staten, al was die verrassing vele malen groter.

Opmerkelijk is dat beide vrouwenteams op weg naar Peking voor een belangrijk deel dezelfde begeleiders kregen: inspanningsfysioloog Jos Geijsel en sportpsycholoog Rico Schuijers. Zowel bondscoach Robin van Galen van de waterpoloploeg als Marc Lammers betrok het tweetal nadrukkelijk bij de olympische successen. Beide ploegen waren topfit, vormden een hechte eenheid en waren hun tegenstanders mentaal de baas op de beslissende momenten. Dat is niet vanzelfsprekend bij Nederlandse sportploegen.

Typerend voor het resultaat van de lessen van Schuijer was dat aanvoerster Minke Booij, die in Peking met goud afzwaaide als international, voor het eerst sinds lange tijd had genoten van het hockey. „Van het team, van alles”, zei ze langs de rand van het veld. „Ik heb eindelijk een Spelen gehad zonder spanning.”

Stress en ongezond hoge verwachtingen hadden Booij en haar collega’s vier jaar geleden dwarsgezeten tijdens de olympische finale van Athene, toen Nederland als topfavoriet volledige onverwacht verloor van Duitsland. In Sydney was Booij niet verder gekomen dan brons.

In de aanloop naar in ‘Peking’ riep Lammers de hulp in van Schuijers en Geijsel, die al jaren topsporters begeleiden. Zij bereidden de olympiërs voor op een slopend toernooi onder zware klimatologische omstandigheden, en leerden hen omgaan met de druk die het grootste sportevenement op aarde met zich meebrengt.

„Mentaal en fysiek was deze ploeg zó sterk”, complimenteerde Lammers beide specialisten. „Topsport bestaat uit heel veel kleine procenten. In Nederland zijn we erg gefocust op techniek en tactiek, maar we vergeten vaak het mentale. Voor veel sporters is de spanning van de Spelen te veel. Daar kun je je op voorbereiden.”

Dat is waar hij Schuijers voor inschakelde, die onder anderen werkt met de vrouwenacht (roeien), de hockeymannen, en individuele sporters als Rutger Smith en Edith Bosch.

„Ik probeer sporters bijvoorbeeld te leren dat ze alleen maar bezig zijn met de taak die ze tijdens de wedstrijd moeten uitvoeren”, zei Schuijers na de hockeyfinale. „Een waterpoloster moet vangen en gooien, een hockeyster moet de bal goed behandelen en de organisatie in het veld op orde hebben. Dat valt te leren. Bijvoorbeeld door alle afleiding in kaart te brengen, zoals het publiek. Dan bekijk je hoe je daarmee om moet gaan.”

Sporters kunnen volledig blokkeren als ze in een finale het gevoel hebben dat ze goud moeten halen. Schuijers: „Als je denkt aan dat woord, zoals ze vier jaar geleden misschien deden, verkrampt de boel en komt er niet uit waarvoor je al die jaren hebt getraind.” Met oefeningen worden ze getraind die gedachten te veranderen.

Inspanningsfysioloog Geijsel gebruikte zijn jarenlange ervaring om een nieuw trainingsprogramma te ontwikkelen. Dat wijkt nogal af van de gangbare programma’s. De hockeysters en waterpolosters werden onderworpen aan het ‘examenmodel’, wat inhoudt dat een sporter niet minder, maar juist meer gaat trainen naarmate een finale dichterbij komt. Geijsel: „Net als je steeds meer gaat stampen naarmate een examen dichterbij komt. De meeste sporters gaan minder doen als de finale nadert. Trainers worden voorzichtig, zijn bang voor blessures of overbelasting.” Uit zijn metingen blijkt echter dat sporters juist beter presteren als de belasting hoog blijft.

Marc Lammers weet dat de ingezette professionalisering hem heeft gebracht waar hij wilde komen. „Een gouden plak – we hebben alles gewonnen. Ik ben heel trots dat ik met deze generatie heb mogen werken. Ze hebben er heel veel voor opgeofferd. En ze hebben een heel grote toekomst.”