Liever radijs

Je krijgt een echtpaar op bezoek van wie de vrouw vegetariër is. Ze is bekeerd. Ooit maakte ze een perfecte boeuf Stroganoff. Logisch dat er tijdens de maaltijd over wordt gediscussieerd.

Illustratie Annemarie van Haeringen Haeringen, Annemarie van

„Blijf toch eten”, zeggen wij tegen kennissen die we jarenlang niet gezien hebben, maar die nu min of meer toevallig op de borrel zijn. Ze aarzelen. „Ach nee, daar hebben jullie niet op gerekend.”

„Het kan makkelijk”, probeer ik ze over de brug te helpen. „We hebben een grote pan lamsgehaktballetjes met munt, vanmiddag al gebraden. Meer dan genoeg.”

„Heerlijk”, zegt de mannelijke helft van het echtpaar.

„Nou, graag dan”, zegt zij. „Als jullie het tenminste niet vervelend vinden dat ik de gehaktballetjes laat passeren. Ik ben vegetariër tegenwoordig.”

Heeft ze er dan geen hekel aan om anderen vlees te zien eten, wil ik weten, want ik moet onmiddellijk aan Elizabeth Costello denken. Dit personage uit de gelijknamige roman van J. M. Coetzee lijdt – letterlijk – zo onder haar vegetarisme dat ze vleeseters is gaan beschouwen als een soort misdadigers. Als ze bij mensen thuis komt, ziet ze daar telkens de bewijzen van. Ze bieden haar lijken aan. Stukken van lijken die ze voor geld hebben gekocht. Iedereen vindt het heel gewoon, iedereen zit in het complot. Het komt haar voor dat zijzelf droomt of gek aan het worden is.

„Welnee”, zegt onze oude vriendin. „Dat kan me niet schelen, hoor.”

„Dat wil zeggen... Als ik een biefstuk voor mezelf bak, komt ze niet aan tafel zitten!” voegt haar man toe. Zie je wel.

Zij lacht. „Maar gehaktballetjes kan ik wel aan.”

Terwijl mijn man en ik de tafel dekken en de ingrediënten voor een uitvoerige salade tevoorschijn halen, ontstaat de onvermijdelijke discussie pro en contra vlees eten, die de laatste decennia in honderdduizenden huishoudens op het westelijk halfrond gevoerd moet zijn. Van de gekkekoeienziekte en snavelbranden tot de Chinees die ook wel eens een karbonaadje op zijn bord wil.

De vegetariste doet amper aan het gesprek mee. Ze is niet zo’n type dat steeds haar overtuiging moet uitdragen en verdedigt haar keuze niet. Misschien heeft ze dat al te vaak moeten doen. Ze is bovendien niet zo’n discussiëerder, meer een doener. Ze geeft muziektherapie aan gehandicapte kinderen en beklimt torens en boerenschuren om kerkuilen te ringen. Zo iemand.

Ik mik wat extra amandelen en rozijnen door de couscous en zet – tactvol of laf? – de schaal met gehaktballetjes niet op tafel, al geuren ze nog zo onschuldig naar de twee bossen munt die er doorheen geknipt zijn, maar schep ze uit zicht van de gasten op drie van de borden. De maaltijd verloopt geanimeerd. Onze vriendin roemt de salade. Er schiet me te binnen dat ze vroeger een verweesd reekalfje met de fles heeft grootgebracht.

Hoewel ik niet zo’n keukenprinses ben, zijn mijn lamsgehaktballetjes door menigeen geprezen en ben ik er in gepaste mate trots op. Toch eet ik minder dan anders. Elizabeth Costello wil niet uit mijn gedachten. In het hoofdstuk Life of animals zit de geduchte dame, alter ego van de schrijfster, aan het diner met een aantal intellectuele hoogvliegers van wie er een vraagt wat eigenlijk haar morele overwegingen zijn om vegetarisch te eten.

„Ik heb geen morele overwegingen, geloof ik”, antwoordt ze onnozel. „Het is alleen maar de drang om mijn ziel te redden.” Daarop valt er een stilte onder de aanwezigen. Die stilte, die is bij mij nu ook gevallen, al praat ik gewoon door.

De uiterste consequentie van liefde en respect voor dieren (die ik mezelf zo graag aanmatig) zou moeten zijn dat je weigert mee te doen aan de abjecte manier waarop het dier in onze consumptiemaatschappij gefokt, behandeld en verwerkt wordt, vind ik eigenlijk. En in dat ‘eigenlijk’ zit hem de crux. Want waarom ben ik dan niet consequent? Omdat knopen doorhakken mijn zwakke kant is? Omdat ik me altijd weer laat verleiden door dat pittige stukje salami of dat geurende kopje bouillon? Een slap karakter noem je dat.

De nuchtere vrouw van mijn eigen leeftijd, bij wie ik vroeger wel eens een perfecte boeuf Stroganoff gegeten heb, en die hier nu zonder enig vertoon van gelijkhebberigheid van de couscous zit te smikkelen, heeft die consequentie wel opgebracht. Tegen dat simpele feit weegt geen enkele indringende documentaire over varkensfokkerijen op. Na het eten rookt ze nog een sigaartje met mijn man mee ook. Sterker nog: ze haalt zelf een doosje uit haar tas en presenteert hem er een; wat dat betreft weet ze van wanten, en niks geen gezanik over gezondheid.

Omdat hij merkt dat de stap naar het niet meer eten van vlees mij intrigeert, zegt haar man op zeker moment lang zijn neus weg: „O, Astrid heeft zelfs de hond en de kat op een vegetarisch dieet gezet. Die krijgen nu sojabrokjes.”

„Nee!” roep ik verontwaardigd.

„Nou, daar doen ze het anders heel goed op. De hond was er meteen aan gewend, bij de kat duurde het wat langer, maar die is er mooi van afgevallen.”

„Ja”, zegt zij met een uitgestreken gezicht. „Nu zijn we in de roofvogelgroep bezig de haviken om te turnen. We zwaaien met radijsjes aan de loer en we gooien aardbeien op.”

Dan schieten we vreselijk in de lach.

„Je geloofde het even, hè?” zegt ze pesterig. „Geef maar toe: je geloofde het even!”

    • Rascha Peper