‘Ik ben hier niemand’

Een zomerweek van schrijver Adriaan van Dis (62). Van Parijs via de IJssel naar Edinburgh en Nijmegen.

‘Je kunt nog meer in een roman lezen dan schrijven’ Foto Flip Franssen Nederland, Nijmegen, 21-8-2008 schrijver Adriaan van Dis. Foto: Flip Franssen Franssen, Flip

Donderdag 14 augustus

Parijs toont zich in augustus op de alleraangenaamste wijze, ook al moet je een kilometer lopen voor krant, brood of pleisters omdat alle kiosken, bakkers en apothekers in de wijk tegelijk met vakantie zijn. Een miljoen spenderende Parijzenaars verlieten de stad voor kust of platteland – geen vertrouwd restaurant is meer open. Maar wat een winst. Ik ontdek nieuwe eethuizen op stille pleintjes en dwaal op zoek naar een brood door wijken die ik voorheen vermeed omdat ik daarvoor een lawaaiige boulevard moest oversteken. Zo belandde ik in Passy, een statige wijk onder de Eiffeltoren waar gepoederde dames tiktikwandelstok naast hun gekleurde verzorgster schuifelen. Ook ik ga vanzelf langzamer lopen en spits de oren bij een ijzige conversatie tussen twee culturen. Lichte moordlust bevangt me... Hoe zou het zijn om even op zo’n oud vrouwtje te gaan zitten – op een knokige poef – en haar huissleutel te ontfutselen, haar appartement binnen te glippen en haar zestien kamers vol schilderijen te bewonderen: Braque, Léger, Corot. Je ziet ze vanaf de stoep hoog hangen.

Om de twee, drie dagen verlaat ik mijn schrijftafel om voedsel voor mijn pen te zoeken. Ik probeer de stad met kleine stukjes in kaart te brengen. Paris Plage was mijn laatste doel, nog net voor het sluiten (21 augustus), voor de zevende keer. Sinds zomer 2002 laat de socialistische burgemeester Delanoë jaarlijks het stuk Seine-snelweg tussen Louvre en Bastille afsluiten om daar voor de thuisblijvers een kunststrand te creëren. Paris Plage blijkt zo’n succes dat er ook zand is gestort aan de oever voor de bibliothèque François Mitterand en bij het Bassin de la Villette in het noordoosten van de stad.

Zochten de eerste jaren vooral heren uit de Marais de gratis strandstoelen op om te laten zien hoeveel bobbel er in een kleine zwembroek past, de laatste zomers betreedt een andere minderheid zichtbaar het zand: arme buitenwijkbewoners die hun eigen stad komen ontdekken. Tijdens mijn rondgang zitten er duizenden kinderen uit flatgebouwen zonder balkons luid in de pierebadjes te spetteren. Moslimmeisjes spelen tikkertje onder de neveldouches – met hoofddoek en al. Ook uw wandelaar zocht daar met kleren aan verkoeling. Ik had net gelezen dat 42 procent van de Fransen dit jaar om financiële redenen thuis is gebleven, drie jaar geleden was dat nog 30 procent. Als zo’n percentage bekend is, zou het dan ook bekend zijn hoeveel Noord-Afrikanen er in Parijs wonen? Of waar al die zwarte mensen vandaan komen?

Simpele vragen voor een man die een stad in kaart probeert te brengen, een stad die ook Sénéga-sur-Seine wordt genoemd. Maar niet voor de mairie van Parijs. Waarom wou ik dat weten? „Voor de wet zijn alle Fransen gelijk, misschien is dat in Nederland anders”, zegt een korzelige ambtenaar. Toch vreemd dat ondanks die Franse gelijkheid mensen met een donkere huid aantoonbaar ten achter worden gesteld: ruim 40 procent van de jongeren uit problematische buitenwijken (zones urbaines sensibles) waar vooral Fransen van Arabische of Afrikaanse afkomst wonen, is werkloos. In de voornamelijk door blanken bewoonde wijken binnen de périphérique (intra muros) schommelt dat getal rond de tien procent. Officieel zijn hier geen getallen over verkrijgbaar, maar sinds een paar jaar probeert een zwart onderzoeksbureau het ongemak van minderheden statistisch onder de aandacht te brengen: le Conseil représentatif des associations noires (Cran). Cran turft de discriminatie. Het is nu bezig te tellen hoeveel zwarten er zijn afgestudeerd, hoeveel er zonder werk zitten, maar ook hoe vaak een zwart persoon zijn identiteitskaart in het openbaar vervoer moet tonen. Voorlopige uitslag: de minderheid overtreft de meerderheid op alle fronten.

Vrijdag, zaterdag

Ik verander mijn reisplan en besluit via Nederland naar Edinburgh te vliegen. In Parijs heb ik trouwens ook geen Engelse vertaling van Familieziek (Repatriated) en ik wil me goed voorbereiden op mijn lezing voor het Edinburgh Book Festival. Geen vertrek zonder het appartement over te geven aan Monsieur Propre, het schoonmaakmiddel waarmee ik nog net niet mijzelf was. Boenen is mijn fitness. Als er Olympische boendagen bestonden, was ik zeker goed voor goud.

Het wordt een vrolijke tussenstop: op een tandem langs de IJssel gereden, met zeven versnellingen over de dijk, tussen de zwarte schapen door. En koffie uit de thermosfles en garnalenkroketten in de Gouden Karper. ’s Avonds heel gelukkig naar de maansverduistering liggen kijken, rillend van de kou en dauw, maar met een gloeiend stuitje en het gekwaak van nijlganzen op de achtergrond. Besef plotseling dat ik in de stad maar zelden een heldere hemel zie en zet het vreselijk op een zingen: de sterren verschijnen eerst een voor een….

Zondag, maandag

Edinburgh. Zonder jas vertrokken en in de regen geland. In het hotel geen instructie waar me te melden. In de festivaltent ook niemand die iets weet, maar ik sta in het programma en ben goed voor een label met lint waarmee ik me toegang tot de Author’s Yurt verschaf. Zouden ze daar zitten, de op de affiches aangekondigde schrijvers? Salman Rushdie, Margaret Atwood, Hanif Kureishi, Richard Dawkins, Alan Sillitoe, Julian Barnes. Niemand te zien. Alleen in een hoekje een nadruipende George Steiner. Ik schud hem de linkerhand (omdat zijn rechter er sinds zijn geboorte andere manieren op nahoudt), we kunnen elkaar nauwelijks verstaan, een waterval klettert op het tentdoek, toch weet de man nog over het weer te filosoferen. We hebben net de oude Grieken gehad als zijn uitgever hem voor een diner komt ophalen. De enige Britse uitgever die ik zie, is de man die bij de mijne ontslagen is wegens chronische afwezigheid. Hij belooft naar mijn lezing te komen. Uit wanhoop knoop ik een gesprek aan met een doventolk. Ze bezingt vol hartstocht de creativiteit der gebaren en leert me onder donderend geraas het teken voor Prince Charles: twee tikjes tegen beide oren. Ze moet aan het werk en laat me alleen in de tent achter. Ik hoor geschater in andere tenten. Optredende schrijvers die tijdens hun lezing niet gestoord mogen worden. Er zijn alleen nog kaarten voor het martelforum van Amnesty International waar vrije schrijvers lezen uit het werk van gevangen schrijvers. Zo leer je wel af te klagen.

Ik ben hier niemand, ik ken hier niemand. Goed voor het ego. Om het drinken uit te stellen, voeg ik me in de rij voor de paneldiscussie over Politics and Food. Het kraakt van de wax coats, de groene laarzen knisperen op de plankenvloer. De geur van het land hangt in deze tent. De sprekers zijn academici uit de grote steden die buitenlui komen vertellen dat we steeds minder weten waar ons eten vandaan komt. (Een op de drie Britten heeft zelfs geen eettafel meer in huis.) De schrijvers zeggen wijze dingen en pleiten voor het herstel van traditionele landbouwmethoden tot een oude boer in het gehoor hen met priemend wandelstok verwijt bang te zijn voor vuile handen. Hij citeert Gandhi: „The world has enough for everyone’s need, but not enough for everyone’s greed.”

Gesticht de regen in. Drink in een kelder tegenover het literaire tentenkamp een glas whisky, bleek het geboortehuis van generaal Haig te zijn. Don’t be vague, ask for Haig. Zogezegd, zo gedaan, maar vier maal Haig maakt niet echt helder. Onderwijl aandachtig door het programma gebladerd. De schrijvers die ik wil zien zijn al geweest of weg. Opmerkelijk ook hoeveel non fictie auteurs er staan vermeld. De paar die ik tot nog toe heb aangehoord, citeren echter allemaal romanschrijvers om hun feiten kracht bij te zetten. Morgen zullen er dertig schrijvers lezen, onder wie slechts vijf romanciers. Ben benieuwd hoeveel ik er morgen in mijn tent kan lokken.

Dinsdag

Regen en een kapotte computer. Heb geen toegang meer tot mijn dagboek en geen idee hoe ik mijn woorden ter redactie krijg. Eet mijn kater en zorgen weg met een traditional Scottish breakfast. Een pukkelpunker in Schotse rok serveert me een enorm bord met twee worsten, twee dooiers, bloedworst, bonen in tomatensaus, black pudding, aardappelscones, en haggis: hart, long, lever en nieren gekookt in een schapenmaag. Toen ik dat hoorde, had ik het al op.

Koop een plakkerige plastic regenjas en regel internetzaken en lees op mijn hotelkamer luid mijn passages uit Repatriated. De Poolse schoonmaakster klopt bezorgd aan de deur. Nee, ik vermoord niemand, hooguit de Engelse taal. Wandel door plassen en modder naar mijn optreedtent. Ruim veertig toehoorders hebben de regen doorstaan. Alles is veel, voor wie niet veel verwacht.

Woensdag

Internetproblemen, een lange terugreis. De lol van het vliegen is er zo langzamerhand helemaal af: veel gesnauw, broekriem af, drie keer schoenen uit. En dan ook nog aan een overijverige veiligheidsdame uitleggen dat de door mij aangeschafte marmelade (extra bitter) niet vloeibaar is en geen bomingrediënt.

Donderdag 21 augustus

Naar de universiteit van Nijmegen, waar ruim 350 eerstejaars Letteren nader kennismaken met De wandelaar. Ruim een maand geleden kregen ze het boek thuis gestuurd, nu buigen zich drie geleerden van verschillende disciplines over het boek en zullen de studenten vragen stellen. Het wordt een middag die aantoont dat je nog meer in een roman kan lezen dan schrijven en hoezeer literatuur een gids kan zijn in onze ingewikkelde wereld. Veel gelachen en opgestoken. Ook goed voor het ego.

    • Adriaan van Dis