Geld vervreemdt ons van onszelf en van elkaar

Mensen die aan geld denken, zijn minder geneigd anderen te helpen. Geld beïnvloedt ons gedrag sterk, maar dat realiseren we ons nauwelijks, stelt Peter Singer.

Geld vervreemdt ons van onszelf en van elkaar Tekening Boligan Boligan

Wanneer men zegt „geld is de wortel van alle kwaad”, wordt meestal niet bedoeld dat het geld zelf de wortel van alle kwaad is.

Net als de apostel Paulus, op wie dit citaat teruggaat, doelt men op de geldzucht. Zou geld op zich – of wij het nu begeren of niet – een probleem kunnen zijn?

Karl Marx dacht van wel. In de economisch-filosofische manuscripten uit 1844 – een jeugdwerk, dat tot halverwege de twintigste eeuw ongepubliceerd en goeddeels onbekend is gebleven – noemt Marx het geld „het universele [chemische] ontbindingsmiddel”, omdat het menselijke eigenschappen van aard doet veranderen.

Al is een man nog zo lelijk, schreef Marx, als hij maar geld heeft, kan hij „de mooiste vrouw” kopen. Zonder geld zouden vermoedelijk wat positievere menselijke eigenschappen vereist zijn. Geld vervreemdt ons, zo meende Marx, van onze ware menselijke aard en onze medemensen.

Toen duidelijk werd dat Marx ongelijk had met zijn voorspelling dat een revolutie van de arbeiders een nieuw tijdperk zou inluiden, waarin iedereen het beter zou krijgen, daalde zijn ster. Dus als hij als enige over het vervreemdende effect van het geld had geschreven, hadden we dat nog kunnen afdoen als iets uit een ideologische dwaalleer. Maar onderzoek door Vohs, Nicole en Goode (Science, 2006) duidt erop dat Marx althans op dit punt misschien toch iets bij de kop had.

Vohs en haar collega’s bedachten een aantal experimenten waarbij geld terloops onder de aandacht van mensen werd gebracht. Sommigen moesten zinnen ordenen die over geld gingen. Anderen kregen ‘toevallig’ stapeltjes Monopolygeld onder ogen. Weer anderen kregen een screensaver met diverse muntsymbolen te zien.

Een andere groep mensen ordenden zinnen die niet over geld gingen, zagen geen Monopolygeld en kregen andere screensavers te zien. In alle gevallen gedroegen de mensen bij wie geld onder de aandacht was gebracht – zeg maar: de ‘geldgroep’ – zich anders dan de mensen bij wie dat niet gebeurd was.

Wanneer de proefpersonen een moeilijke taak te doen kregen, waarbij ze hulp konden vragen, wachtten de mensen uit de geldgroep langer voor ze hulp inriepen.

Werd hen om hulp gevraagd, dan hielpen de mensen uit de geldgroep korter.

Wanneer hun werd gezegd hun stoel te verplaatsen om met iemand anders te kunnen praten, lieten de mensen uit de geldgroep meer ruimte tussen de stoelen.

Wanneer hen werd gevraagd een vrijetijdsbesteding te noemen, was bij de mensen uit de geldgroep de kans groter dat ze een activiteit kozen die je in je eentje kunt doen, dan een waar ook anderen aan zouden meedoen.

Als mensen uit de geldgroep werd gevraagd een deel van het geld dat zij als deelnemers aan het experiment hadden verdiend, weg te geven, schonken zij minder dan de mensen bij wie geen geld onder de aandacht was gebracht.

Kleine hints in de richting van geld maakten opvallend veel uit. Waar bijvoorbeeld de controlegroep gemiddeld 42 minuten uittrok om iemand bij een taak te helpen, hadden de mensen bij wie geld onder de aandacht was gebracht, er maar 25 minuten voor over. Op het verzoek om iets van hun inkomsten weg te geven, gaf de geldgroep maar iets meer dan de helft van wat de controlegroep gaf.

Waarom maakt geld ons minder geneigd om hulp te vragen of te verlenen, of zelfs om dicht bij een ander te zitten? Vohs en haar collega’s opperen dat toen samenlevingen geld gingen gebruiken, men minder op familie en vrienden was aangewezen, en meer op eigen benen kon staan. „Zodoende”, luidt hun conclusie, „versterkte het geld het individualisme, maar verzwakte het op de gemeenschap gerichte beweegredenen – een effect dat tot op heden aan de respons van mensen valt af te lezen.”

Aangezien wij allemaal iedere dag met geld omgaan, is dat toch een wat magere verklaring voor het feit dat een vingerwijzing naar geld zo veel uitmaakt voor ons gedrag. Hier lijkt toch iets aan de hand te zijn dat we nog niet helemaal doorhebben.

Ik pleit niet voor een terugkeer naar de eenvoudiger tijd toen we nog aan ruilhandel deden. Geld stelt ons in staat om te handelen, en dus te profiteren van andermans bijzondere vaardigheden of voorsprong. Zonder geld zouden wij onnoemelijk veel armer zijn, niet alleen in financiële zin.

Maar nu wij weten dat alleen al de gedachte aan geld de neiging tot afzondering kan versterken, kunnen wij de rol van het geld niet meer als volkomen neutraal zien.

Stel bijvoorbeeld dat een organisatie van ouders een speelplaats voor de kinderen wil aanleggen, moet ze dan haar leden vragen dit als vrijwilligerswerk te doen, of moet ze een fondsenwervingscampagne beginnen om een externe aannemer te kunnen inschakelen?

Het voorstel van de econoom Roland Fryer om arme studenten te betalen voor goede studieprestaties is nóg zo’n geval waar het gebruik van geld kwestieus is. Als geld iets neutraals was, hoefden we alleen maar te kijken of de baten van het gebruik van geld opwogen tegen de financiële kosten. Vaak zal dat het geval zijn – bijvoorbeeld als de ouders niet handig genoeg zijn om zelf een goede speelplaats aan te leggen.

Maar wij moeten wel beseffen dat je niet zomaar op alle terreinen van het leven het geld de boventoon kunt laten voeren, omdat dat extra kosten meebrengt, die niet gemakkelijk in financiële termen vallen uit te drukken.

Peter Singer is hoogleraar bio-ethiek aan Universiteit van Princeton. © Project Syndicate 2008.