Geen Turk, geen Duitser

Joep Leerssen, literatuurhistoricus, kreeg de ‘Nederlandse Nobelprijs’. Hij ziet de staat liefst niet als cultuurdrager. Ellen de Bruin

Balkenende’s ‘voc-mentaliteit’ is een negentiende-eeuwse romantische mythe. Met het verkenningsschip De Duyfken ontdekte voc-kapitein Willem Jansz in 1606 Australië. Een replica voor Texel. foto rien zilvold voc schip de duyfken onderweg naar texel foto rien zilvold Zilvold, Rien

Nederlanderschap, wat betekent dat eigenlijk? Niet per definitie iets positiefs, vindt Joep Leerssen, hoogleraar moderne Europese letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Als het Nederlanderschap voor iemand meer betekent dan gewoonweg burgerschap, dan is dat vooral een kwestie van geloof – eerder een zienswijze dan een zijnswijze, zoals hij het formuleert – waar de staat zich niet mee moet bemoeien.

Daarin gaat Leerssen nog iets verder dan de reactie die minister Hirsch Balin (Justitie, CDA) deze week gaf op het vorig door Máxima (“dé Nederlander bestaat niet”) gepresenteerde rapport Identificatie met Nederland van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Leerssen vindt dat de staat zich ook niet moet bemoeien met zaken als een landstaal of een historische canon. (Overigens vond dit gesprek vorige week al plaats.)

“Het Nederlanderschap is tot stand gekomen door een eeuwenlange opeenstapeling van vijandbeelden”, zegt Leerssen. “In de zeventiende eeuw hadden we een bloedhekel aan de Spanjaarden, in de achttiende eeuw hadden we een bloedhekel aan de Fransen, in de twintigste eeuw hebben we een bloedhekel gekregen aan de Duitsers. En de restcategorie van al die bloedhekels is een vaag cultureel-historisch-etnisch Nederlands zelfbeeld.” Niet dat Leerssen anti-nationaal is: “Nationale identiteit kan bijvoorbeeld de solidariteit tussen arm en rijk bevorderen. Maar tegenwoordig wordt nationaliteit steeds meer een gevoel om verschillen mee uit te drukken. De Nederlander is het meest zichzelf in die mate waarin hij geen Turk is, bij wijze van spreken. Dat vind ik een gevaarlijke, onderhuidse bijbetekenis van dat begrip van nationaliteit.”

Joep Leerssen onderzoekt het ontstaan van nationale zelfbeelden in Europa aan de hand van de literatuur en literatuurgeschiedenis van verschillende landen. Dit jaar is hij een van de winnaars van de Spinozapremie, de ‘Nederlandse Nobelprijs’ van anderhalf miljoen euro onderzoeksgeld die jaarlijks door de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) aan maximaal vier wetenschappers wordt uitgereikt. Op zijn werkkamer in het P.C. Hoofthuis, de hoofdstedelijke letterenfaculteit, spreekt hij op rustige, vriendelijke toon en in soepele volzinnen over de gevaren van vaderlandsverheerlijking. Zo noemt hij het nationalisme “een seculier geloof”, dat in de negentiende eeuw in heel Europa opkwam.

In uw boek ‘National Thought in Europe’ (2006) pleitte u al voor een ‘scheiding van staat en nationalisme’. De staat zou zich moeten beperken tot wetshandhaving en bescherming van de burger. Wat zou zo’n scheiding verder inhouden?

“Neem de canondiscussie in Nederland. Die begon ooit vanuit een educatieve behoefte om de schoolgaande jeugd te laten begrijpen hoe de geschiedenis in elkaar zat. Maar je krijgt onmiddellijk allemaal beladen discussies: moet die canon de ouderwetse VOC-mentaliteit hebben of ook nieuwe Nederlanders aanspreken? Zo komt de staat direct in de oneigenlijke situatie terecht dat hij een soort Nederlanderschap moet formuleren waarbij iedereen aan zijn trekken komt. Een onmogelijke positie, alsof de staat moet beslissen of aardbeienjam of abrikozenjam lekkerder is. Of neem de roep die je hoort om de status van het Nederlands als landstaal in de grondwet op te nemen. De hele grondwet is toch al in het Nederlands vervat? In Zwitserland komen ze ook heel ver zonder een taalbeleid, dat land staat sterk genoeg.”

Kan het kwaad als de overheid zich met zulke dingen bemoeit?

“Ik vind van wel. Ik vind het om te beginnen een verspilling van energie. We staan allemaal een vrije markt voor op het gebied van de economie, dus waarom zou de overheid wél regulerend moeten optreden op het gebied van cultuur? Ik zie de logica niet. Bovendien: je maakt hiermee onderbuikgevoelens los die haaks staan op burgerzin. Met burgerzin bedoel ik: een betrokkenheid bij de BV De Staat. Die hoeft niet meer te zijn dan een aandeelhouderschap dat je koopt doordat je belastingen betaalt en de wet gehoorzaamt. Als je daarnaast allerhande oneigenlijke en slecht gedefinieerde termen loslaat op wat het betekent Nederlander te zijn, dan vult iedereen die anders in en wordt er een soort irrationeel miasma opgeroepen dat Nederlanderschap alleen maar kan definiëren door ons af te zetten tegen anderen.”

In zijn boek ‘De bronnen van het vaderland’ beschrijft Leerssen dat Nederland juist in de negentiende eeuw, waarin Europese landen hun nationalistische zelfbeeld definieerden, Balkanachtig onbestendig was: de grensvorming in en om Nederland en Vlaanderen verliep chaotisch.

Wat vindt u eigenlijk van het idee van Geert Wilders om Vlaanderen bij Nederland te voegen, omdat dat historisch gezien zo zou ‘horen’?

“Ja, dat slaat zó de plank mis; in de natuurkunde zouden ze zeggen: ‘it is not even wrong’. Bovendien: Vlaanderen is niet zomaar een stuk onroerend goed dat je even bij je achtertuin kunt voegen. Er wonen zes miljoen Vlamingen die een heel ander soort samenleving vormen dan de Nederlandse en die ook nog eens heel goed weten wat er in de economie te koop is. Stel dát Vlaanderen en Nederland zouden fuseren. Het eerste dat er dan gebeurt is dat de haven van Antwerpen wordt uitgebreid, er komt een hogesnelheidslijn vanuit Parijs via Antwerpen naar Hamburg en Berlijn, en geen hond komt nog in Amsterdam of Rotterdam. Als Vlaanderen toegang zou krijgen tot de Noordzee en het Duitse achterland, en die buffers van Zeeland en Nederlands Limburg zitten daar niet langer tussen, dan heeft niemand tussen Parijs en Berlijn het nog nodig om de rivieren over te steken. Dan wordt Nederland echt het Jutland van Europa. Maar over dat soort implicaties wordt niet dóórgedacht door de geopolitieke ruilverkavelaars. Ik wil er verder niet te veel over tieren, want dat is het niet waard. Maar onder het vlaggetje van nationaliteit en een soort rondzingende echo uit de vaderlandse geschiedenisboekjes van rond negentienhonderd kan er dus allerhande prietpraat in het openbare debat komen die daar vervolgens veel te serieus wordt genomen.”

Heeft u in die zin een agenda met uw onderzoek?

“Ja, noem het maar: ontmythologiseren. Als we een identiteit aanroepen die klakkeloos uitgaat van ‘de voorouders’, van de Batavieren via het graafschap Holland tot de Gouden Eeuw en de Muiderkring en de VOC, dan moeten we beseffen dat dat niet de geschiedenis is zoals ze echt was, maar een selectie uit die geschiedenis die achteraf is gemaakt en die is uitgekristalliseerd in de negentiende eeuw. Die ongelukkige VOC-opmerking van Balkenende is afkomstig uit een soort gepopulariseerd historisch besef dat met name tussen 1870 en 1920 in omloop is gebracht. En dat nog steeds rondzingt, kennelijk.”

Waar komt uw belangstelling voor nationalistische ideeën eigenlijk vandaan?

“Nou, nationalistische ideeën... Ik ben geïnteresseerd in grenzen en cultuurverschillen. En die belangstelling komt uit mijn jeugd.” Hij lacht. “Mijn moeder is Rotterdams en mijn vader komt uit Zuid-Limburg, waar ik ben opgegroeid. Mijn ooms en tantes in Rotterdam en mijn ooms en tantes in Heerlen waren heel verschillend, merkte ik. En in Zuid-Limburg zit je, zoals mijn vader het altijd zei, op honderd kilometer van Brussel, op honderd kilometer van Bonn, op honderd kilometer van Luxemburg en tweehonderd kilometer van Amsterdam. Dus je krijgt al heel vroeg mee dat er belangrijke verschillen zijn binnen één land en belangrijke overeenkomsten tussen landen. Met dat idee ben ik destijds vergelijkende literatuurwetenschap gaan studeren.”

Het leergierigste deel van het grote publiek kent Leerssen misschien wel van de mooie hoorcolleges literatuurgeschiedenis die hij heeft ingesproken voor Home Academy, uitgever van educatieve lezingen op cd. De literatuur was dan ook zijn eerste liefde, zegt hij. “Maar in mijn onderzoek ligt de klemtoon nu niet meer op literatuur, maar op geschiedenis. Met behulp van literaire teksten kun je je verplaatsen in de ervaringswereld van mensen uit vroeger tijden.”

Volgens Leerssen – en dat is een van de ideeën waaraan hij de Spinozaprijs te danken heeft – komt het door de literatuur en andere cultuuruitingen dat mensen in de negentiende eeuw in verschillende Europese landen tegelijkertijd zoiets als een nationalistisch ideaalbeeld hebben ontwikkeld. “Het is een kip-en-eiverhaal”, geeft hij toe. “Produceren naties cultuur of produceert de cultuur de naties? Maar ik denk dat het verhaal dat de cultuur de naties produceert iets minder voor de hand liggend is en daarom met iets meer nadruk naar voren gebracht moet worden.”

Kijk, doceert hij: “Mensen die de geschiedenis van nationaal besef onderzoeken, staan op één van twee standpunten. Het ene is: er bestaat gewoon zoiets als nationaliteit, niet zeuren. De Grieken vochten al tegen de Perzen en Vondel dichtte al ‘de liefde tot zijn land is ieder aangeboren’ – dus nationaliteit is net als geslacht een bestendige aanwezigheid in ieder mens; dat is een gegeven, une donnée, een datum. Anderen zijn van mening dat voor de gemiddelde persoon in de vijftiende of achtste eeuw zoiets als nationale identiteit net zo onvoorstelbaar was als de vraag of Attila de Hun een seksist was. Voor deze onderzoekers is nationale identiteit een nevenproduct van een moderniseringsproces. Nou, dat zijn tamelijk onverenigbare standpunten, waartussen in de vakliteratuur al tientallen jaren heen en weer wordt gehakketakt. Ik heb geprobeerd om daarin een middenpositie in te nemen. Ik zeg: er is vermoedelijk al heel vroeg een soort cultureel besef, maar nog zonder politieke functie, en het identificeert niet het eigen volk, maar de buitenlanders. Wat ik noem de Obelix-reflex: rare jongens, die Romeinen.” Hij lacht: “Dus ik word nu van twee kanten een beetje fronsend bekeken.”

En hoe heeft de literatuur de naties dan gevormd?

“In de hele negentiende eeuw werd de middeleeuwse literatuur herontdekt. En dan krijg je ook iets wat een collega van mij ooit heeft genoemd: het kibbelen over het tafelzilver van oma. Wat is van wie? Van Beowulf wisten ze heel lang niet of dat nou een Deense, Duitse, Saksische of Angelsaksische tekst was. En je hebt de Duitse Reinhart Fuchs, de Franse Roman de Renard, de Nederlandse Van den vos Reinaerde. En dat ‘wat is van wie’ was niet gewoon een ivorentorenvraagje van academici, maar een zaak van nationaal belang.

“Verder vond er tussen 1800 en 1850 een soort revolutie plaats op het gebied van de boekdrukkunst die bijna even belangrijk was als de internetrevolutie nu. Houthoudend papier werd uitgevonden, snelle drukpersen. De nieuwe houthoudende romannetjes werden in die periode in grote oplagen gedrukt. Iedereen ging lezen, ook over de eigen herontdekte Middeleeuwen. Schrijvers werden nationale figuren, en historische romans vormden het speerpunt van een nieuw nationaal besef, overal in Europa. Hendrik Conscience was ‘de man die zijn volk leerde lezen’, met romans als De Leeuw van Vlaanderen. Hier te lande hadden we Jacob van Lennep met De Roos van Dekama, in 1836. De eerste wereldwijde bestseller-auteur was Walter Scott, met zijn historische romans over Groot-Brittannië. Zo formuleerde de literatuur ‘het nieuwe geloof’, en droeg het uit.”

Wat gaat u eigenlijk met het geld van de Spinozapremie doen?

“Tja, het is nogal een opgave, anderhalf miljoen. Opmaken is geen kunst, maar om het verstándig op te maken... Maar ik heb wel wat ideeën. Ik wil mensen die her en der in Europa onderzoek doen naar verschillende vormen van cultureel nationalisme met elkaar in contact brengen. Dus ik ga veel investeren in het organiseren van workshops. En in jonge onderzoekers, aan wie je kunt vragen: maak bronnen toegankelijk die in het Bulgaars zijn geschreven en daardoor niet kunnen worden gelezen in Finland; zoek uit wie de correspondenten van Walter Scott waren in Duitsland, of Barcelona. En ik wil een grote, ambitieuze encyclopedie bijeenbrengen over romantisch nationalisme in Europa. Allemaal plannen waarmee ik in een vage, onbepaalde vorm rondliep. Nauwelijks bewust, hooguit als een soort weemoed: wat jammer dat het niet zo kan. En nu zijn die ideeën ineens veranderd in: ik kan de hele snoepwinkel kopen! Vroeger zat ik weleens te mijmeren: contacten tussen letterkundigen in negentiende-eeuws Europa, hoe zou je dat in kaart kunnen brengen? Moeilijk, jammer. Nu kan ik kijken of ik daar een softwarepakket voor netwerkvisualisering voor kan laten ontwikkelen. Dat is echt geweldig.”

    • Ellen de Bruin