Aan de slag

Deze zomer beschrijven onze correspondenten de verhouding van hun land met geld.

Foto Bloomberg News The words 'This note is legal tender for all debts, public and private' appear on the face of U.S. one dollar bill displayed for a photograph in New York, U.S., on Tuesday, April 15, 2008. It was 135 years ago that the British economic journalist Walter Bagehot laid out the guiding principles for a central bank acting as lender of last resort: Lend freely at a penalty rate against good collateral. Photographer: Daniel Acker/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Net nog. Loop de trap af, de metro in. Links van me jonge meiden in kokerrokjes die op weg naar kantoor via hun iPhone inbellen op een telefonische vergadering, rechts jongens met The Wall Street Journal onder de arm geklemd.

Een man houdt ons op. Gestreken roze overhemd, blauwe das, geen zweetplekken onder de oksels – allemaal geen sinecure in dit vochtige zomerweer. Tiptop verzorgd.

Maar hij vraagt – „help me even, my friends” – wel om een dollar. Hij is op weg naar zijn werk, vandaar, vergat zijn portefeuille op de keukentafel. Dakloos, vraag ik. Hij wendt zich af, knikt dan toch. Zijn betrokken gezicht begint direct weer ondeugend te stralen. „But do I LOOK homeless?”

Het is zowel een retorische vraag als een verzoek om bevestiging van de doeltreffendheid van zijn opzet. Bedelaars met niet meer dan een uitgestoken hand, die zijn er genoeg en kunnen dus op aalmoes noch sympathie rekenen. Dit is New York; hier werk je voor je geld. Ik bied hem nog een kop koffie en een broodje aan, maar hij wijst het af. Hij moet nodig weer aan de slag.

Om een indruk te krijgen van hoe de 300 miljoen verschillende Amerikanen met geld omgaan, is het verstandig er met zo veel mogelijk van hen over te praten. Echt moeilijk is het niet hen te verleiden tot een gesprek over persoonlijke financiën. Sterker nog: ze beginnen er graag zelf over. Maar alleen als ze een verband kunnen leggen met hun werk. Neem de caissière in de boekhandel in de zuidelijke staat Alabama. Zij heeft het wisselgeld nog niet of ze zegt al dat ze liever geen rugproblemen had gehad, want dan werkte ze nog in de autofabriek (28 dollar per uur) en niet hier (7 dollar). Of babbel wat met de man die op Manhattan als doorman, veredelde conciërge, in een luxe appartementencomplex werkt en hoor direct dat hij er vrede mee heeft dat „het bedrijf waarvoor je werkt rijk kan zijn, zonder dat jij dat bent”. Of de dame die koffie schenkt in een hotel in Las Vegas: ze zegt dat ze tevreden is met haar 10,03 dollar per uur – ooit zal ze genoeg gespaard hebben om een auto te kunnen kopen. „Dat is toch The American Dream, nietwaar?” Ze zegt het echt.

Maar in al die Amerikaanse openhartige geldgesprekken is onlangs een accentverschuiving opgetreden. De economische neergang verandert het denken over geld. Waren dollars tot voor kort iets wat Amerikanen moesten vergaren om het daarna uit te geven, nu is geld vooral iets om vast te houden.

Wie het nu nog uitgeeft aan een Hummer of een huis wordt voor gek verklaard. De getallen zijn groot genoeg om te weten waarom: het afgelopen half jaar zijn ruim een miljoen gezinnen uit huis gezet, omdat ze hun hypotheek niet meer konden betalen, terwijl een half miljoen mensen als gevolg van de economische neergang hun baan verloren.

Met een vriend, carrièremaker te New York, reed ik een paar weken geleden door Kansas. Trek twee diagonalen over de VS en in dat agrarische niemandsland in het midden heeft zijn familie een stuk grond ten grootte van 2,5 keer Central Park. De vriend moppert. Niet wegens de graanprijs, die is hoog genoeg. Ook niet wegens de droogte waardoor de oogst tegenvalt en hij dus nauwelijks van de hoge grondstoffenprijzen op de wereldmarkten kan profiteren – hoort er allemaal bij.

Wat hem dwars zit, zijn nou juist de New Yorkers van het type dat vanochtend links en rechts van mij de metro inliepen. Ze denken de waarde van een dollar te kennen, alleen maar omdat ze verwachten er veel van te gaan verdienen, zegt hij. Ze denken de financiële zorgen van Amerika te kennen, alleen maar omdat ze in New York wonen. Hier, en dan wijst hij uit het raam van de forse rode pick-up-truck die je op de droge onverharde wegen zo mooi in de greppel kan rijden, hebben mensen pas een gevoel voor geld. Juist omdat ze het nauwelijks hebben.

Een paar uur later wordt zijn punt geïllustreerd. De dagloners komen aan, twee rode combines boven twee vrachtwagens. Dit soort mannen huur je in, ze oogsten in opdracht. Een korte begroeting, „hi all y’all”, en dan aan het werk. Pas na middernacht is er tijd om te praten. De benzineprijs is het onderwerp, want wat die combines wel niet slurpen. Elke ochtend gaat er voor 900 dollar aan benzine in. De hoge benzineprijs vreet daarmee aan hun inkomen. Opnieuw is het gesprek over geld onmiddellijk gerelateerd aan hun werk.

Terug in New York. Halverwege de Chrysler en het Empire State Building staat mijn favoriete fruitcart. Dat zijn karretjes vol fruit voor de kantoorwerknemer met haast. Dit is juist een goede plek om te onthaasten. Neem een minuut de tijd en spreek de Indische, bij verkopers van fruit altijd weer die Indische, verkoper aan met een „hey boss”. Hoe gaan de zaken? Een verhandeling volgt over grondstoffenprijzen, over importcomplicaties, over de olieprijs. Wat allemaal neerkomt op het feit dat hij niet langer vier, maar drie bananen voor een dollar kan aanbieden. En dat de klant, als dank voor deze getoonde interesse in de geldproblemen van zijn bedrijfje, een handje druiven voor niks krijgt. „Fijne dag nog, my friend.”

    • Freek Staps