Zingen over 9/11

De Amerikaan John Adams is dankzij opera’s als ‘Nixon in China’ en ‘The Death of Klinghoffer’ een van ‘s werelds succesvolste levende componisten. Deze week is hij in de Gelderse bossen om te werken met muziekstudenten. „Ik ben een componist, geen dominee.”

John Adams repeteert in Apeldoorn met het Nationaal Jeugd Orkest foto’s Evelyne Jacq Europa, Nederland, Apeldoorn, 19-08-2008 OrpheusÊSchouwburg. een repetitie van het Nederlands Jeugd Orkest en componist John Adams. John AdamsÊdirigeert hetÊjeugd orkest foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Je moet er de vijftien uur reizen tussen San Francisco en Amsterdam voor over hebben. Douane. Zittend slapen. Overstappen. Nog eens anderhalf uur met de auto. En dan opeens zijn daar de bossen van Apeldoorn. „Appelhof?” vraagt componist John Adams met een welwillende blik vanuit het autoraampje.

Voor Schouwburg Orpheus staan trossen roze-blauwe sponsorfietsjes, waarop de 250 jonge musici die deelnemen aan de Internationale Muziekzomer Gelderland pendelen tussen de jeugdherberg en de repetities. De repetities onder leiding van Adams begonnen woensdag. Hij dirigeert het Nationaal Jeugdorkest in symfonische delen uit zijn eigen opera Doctor Atomic en werken van Strauss en Britten maar vooral – op zijn eigen verzoek – de monolithische Zevende symfonie van Sibelius. „Wat is dat toch met jullie Hollanders en Sibelius?” vraagt hij. „Het is zulke fantastische muziek. Maar zelfs Reinbert de Leeuw zegt dat hij Sibelius niet snapt. En Reinbert snapt toch alle muziek.”

Het is aan De Leeuw te danken dat John Adams, een van ‘s werelds succesvolste levende componisten, dit jaar ‘composer in residence’ is bij de muziekzomer in Gelderland en negen dagen met het Jeugdorkest repeteert en concerten geeft. „Reinbert had me al zo’n zeven keer gevraagd voor een vergelijkbaar project, nu durfde ik geen nee meer te zeggen. Ik vind jonge musici ook leuk. Mijn eigen zoon en dochter zijn begin twintig, ik weet waar ik aan begin.”

Adams was zelf 23

toen hij zijn leven een beslissende draai gaf. Dat hij componist wilde worden, wist hij sinds zijn negende; als Mozart als kind componist kon zijn, dan hij óók. Hij speelde klarinet in de bandjes en fanfares van zijn thuisstreek New England, studeerde aan Harvard University muziek bij Leon Kirchner, een oud-student van Schönberg. Maar juist zijn achtergrond als kind van de jaren zestig en zeventig deed hem vastlopen in de modernistische muziekcultuur waarin hij werd opgeleid. „Ik ben opgegroeid met de boeken van Mark Twain, met jazz, met folk, met de Beach Boys, de Beatles, Jimi Hendrix en Frank Zappa – en dan noem ik voor het gemak alleen wie ik goed vind. Aan die invloeden wilde ik in mijn muziek niet voorbijgaan. Zoals Charles Ives in zijn muziek op een volstrekt vrije manier het vulgaire van de Amerikaanse cultuur verbindt met iets eigens – dat is altijd een voorbeeld voor me geweest.”

Volgens de legende volgde Adams in 1971 de roep van het Westen. Hij verliet de oostkust van de Verenigde Staten en de componeercultuur waarin toegankelijkheid en welluidendheid loze woorden waren, en begon in Californië opnieuw. „De werkelijkheid is ook gewoon dat ik 23 was, en nog nooit weggeweest uit New England”, lacht hij. „Ik wilde weg, iets nieuws, avontuur.” Spijt kreeg hij pas na een half jaar, toen hij vorkheftrucks moest bedienen om zijn brood te verdienen. Met een werk als Shaker Loops oogstte Adams aan het einde van de jaren zeventig zijn eerste grote succes.

Shaker Loops is lang niet Adams eerste werk, maar telt wel als zijn ‘opus 1’, omdat hij hierin zijn eigen geluid vond. De pure ‘minimal music’ zoals geïntroduceerd door componisten Terry Riley, Steve Reich en Philip Glass werd door Adams uitgebouwd. De herhalende motiefjes werden van doel tot middel van een groter muzikaal bouwwerk, met onder die nog steeds sterke puls meer tempoverschillen, meer kleuren en een soms naar de romantiek terugwijzende expressiviteit. „Wat me aantrok in het minimalisme was vooral de lichtheid en de toegankelijkheid”, zegt hij nu. „Wij waren in de twintigste eeuw gewend geraakt aan muziek die op het eerste gehoor ondoordringbaar was. Ik vind niet dat je voor het publiek door de knieën moet gaan, maar dat minimal music meteen breed begrepen werd, dat trok me. En dat het niet zo zwaar op de hand was.”

De splitsing in Adams’ leven door zijn verhuizing van oost- naar westkust doet denken aan de titel van een van zijn composities én van zijn memoires, die volgende week verschijnen: Hallelujah Junction, vernoemd naar een goudgraversstadje. Een deel eruit staat volgende week al in het tijdschrift The New Yorker, onder de titel Sonic Youth – A Composer finds his voice.

Eerder al begon een journalist aan een kritische biografie van Adams, maar die samenwerking liep na talrijke gesprekken uit op niks. „Dat frustreerde me, want toen was het proces van terugdenken en ordenen in mijn eigen hoofd al begonnen. Bovendien was ik de memoires van Gabriel García Márquez gaan lezen, en die inspireerden me ontzettend – de rijkdom, de schoonheid en de nederigheid van zijn taal. Memoires zijn leuk om aan te beginnen; het kind dat je was, staat zo ver af van wie je nu bent. Naarmate degene die je beschrijft meer op jezelf begint te lijken, wordt het confronterender. Maar in vergelijking met componeren is schrijven nog altijd makkelijk. Ik vind componeren, nog altijd, zeer moeilijk werk.”

De onderwerpen die Adams

in zijn boek behandelt zijn ook niet altijd makkelijk. Veel bladzijden gaan over het Amerikaanse muziekleven, het cultureel klimaat, de politiek. Dat kan ook bijna niet anders. Zijn opera’s maakten John Adams tot de componist die bewees dat je over actualiteit en politiek ook kunt zingen. Al Adams opera’s, de sprookjesachtige Mozart-parafrase A Flowering Tree uitgezonderd, maken het politieke persoonlijk; Nixon in China – met zijn humor, sterke melodieën en stuwende ritmes als basis voor een filmische spanning Adams succesvolste werk – gaat er expliciet over. Doctor Atomic, vorig jaar in een regie van Peter Sellars te zien op het Holland Festival, behandelt het etmaal vol twijfel en dilemma's, dat voorafging aan de eerste atoombomtest. En dan is er nog The Death of Klinghoffer – de opera over de kaping van het cruiseschip de Achille Lauro door Palestijnse terroristen, en de moord op de joodse toerist Leon Klinghoffer. De opera, mede betaald door het operahuis van Los Angeles, werd daar nooit opgevoerd. Kort na 9/11 werd ook een geplande uitvoering van de koren – dat van de joodse vluchtelingen én dat van de Palestijnen – door het Boston Symphony Orchestra geannuleerd.

Dat Adams geen partij kiest maar beide zijden een gezicht en een verhaal geeft, is in de VS vaak veroordeeld. Richard Taruskin, vooral door zijn studies over Stravinsky een gerenommeerde musicoloog en muziekcriticus, noemde het werk ‘anti-Amerikaans, antisemitisch en anti-bourgeois’. Nog steeds wordt de opera in de Verenigde Staten nauwelijks opgevoerd. Adams zucht, staart uit het raampje. „Taruskin is nu zelfs bezig er een boek over te schrijven”, zegt hij. „Zijn hoofdpunt is dat muziek een te krachtig medium is om in te zetten voor dit soort onderwerpen. Muziek emotioneert en beïnvloedt mensen, en moet dus gecontroleerd worden. Taruskin vindt bovendien, en daar wringt de schoen, dat ik de Palestijnen mooiere melodieën geef dan de joden. Dat is onzin. In mijn boek ga ik er uitgebreider op in. Ik heb het hoofdstuk ‘Zingende terroristen’ genoemd.”

Hij zucht nog eens. „Zeg, heb jij Michael Phelps zien zwemmen?”

Geritsel van dwarrelende papieren,

haastige voetstappen, New Yorkse sirenes. Een kinderstem die het woord ‘missing’ herhaalt tegen een elegisch zoemkoor. Daarbij: een opsomming van namen. Waarschijnlijk zal On the Transmigration of Souls, een werk ter nagedachtenis van ‘9/11’ waarvoor Adams de Pulitzer Prijs en drie Grammy’s won, op puur muzikale gronden niet als zijn sterkste de boeken in gaan. De stijgende en weer dalende kleine terts waarin een koor ‘I miss you’ zingt tegen de achtergrond van een treurtrompet, schurkt tegen het sentimentele aan. Hij heeft er ook over getwijfeld of hij dit onderwerp wilde aanvatten. De extreme aandacht van de Verenigde Staten voor de drieduizend slachtoffers van de ramp trof hem, in het licht van grotere rampen elders, als enigszins narcistisch. „Maar je zegt als componist niet zomaar ‘nee’ zegt tegen het New York Philharmonic Orchestra.”

De oplossing die Adams koos, is typerend. Niet de politieke, maar de menselijke kant van ‘9/11’ staat centraal. Behalve de namen van de slachtoffers klinken persoonlijke tekstjes die kort na de inslag op Ground Zero te vinden waren. „Ik zoek altijd naar verhalen die diep in de menselijke geschiedenis ingrijpen”, reageert hij. „Maar ik ben een componist, geen dominee. Ik neem in mijn muziek geen stelling in.”

Adams distantieert zich daarmee nadrukkelijk van regisseur Peter Sellars, tevens hoogleraar ‘Art as Social and Moral Action’ aan University of California in Los Angeles, met wie hij vrijwel al zijn grote muziektheatrale werken concipieerde. „Anders dan Bertold Brecht of Sellars zie ik kunst niet als drager van een moreel standpunt. Hij en ik zullen vast nog wel eens samenwerken. Maar nu gaan we even elk onze eigen weg.”

Thuis, in Berkeley, heeft Adams net een strijkkwartet afgemaakt. Al componeert hij meestal in Sonoma County, waar hij – besmuikte blik – pas een huis aan de kust heeft gekocht. Of in zijn hutje in de bergen. „Maar daar doe ik meestal niks, behalve houthakken en zwelgen in een computer- en telefoonloos bestaan. Voor het componeren is dat isolement óók vruchtbaar. Al zet ik geen noot op papier, in mijn hoofd gaat het altijd door. Het is een kwestie van de juiste afwisseling scheppen.”

Adams noemt zichzelf „ten diepste verknocht” aan het Californische landschap. Het siert, gefotografeerd door zijn echtgenote Deborah O’Grady, verschillende van zijn cd-covers. Een van zijn recente werken, The Dharma at Big Sur (2003), is er een ode aan; aan de kustlijn (Big Sur) tussen San Francisco en Los Angeles waar het Westen in Adams woorden „gewelddadig ophoudt” en de zee „tegen de kustlijn slaat in een lui ritme van ontzagwekkende kracht”. De muziek verbeeldt die sensatie bijna filmisch. Strijkgeluiden vervlechten met de uitdijende orkestrale achterwand; je denkt de branding te horen. En dan is daar de solopartij van de elektronische viool. Folkachtig, Indiaas, Mahleriaans breed in de melodieën. ‘Minimal music’ kun je dat in geen enkel opzicht meer noemen. Het symfonische apparaat is ingezet voor een muziek die in zijn verwijzingen juist zo globaal en dus maximaal mogelijk is.

Als hij weer thuis is, wacht een nieuw orkestwerk voor het Los Angeles Philharmonic. „Ik heb het zo achtergelaten dat ik er meteen weer in verder kan.” Adams is hoopvol voor de nieuwe muziek, zegt hij. „Tegenover de trend van componisten die een toegankelijk, bij het publiek in de smaak vallend geluid zonder toevoeging van enige eigenheid tot doel hebben verheven, staan genoeg jonge componisten met wél echt eigen ideeën. Maar we leven in een wereld die door de populaire cultuur wordt gedomineerd. Een serieuze radiozender voor klassieke muziek bestaat niet in de VS. Dus al ben ik als componist nog zo succesvol, in vergelijking met de gemiddelde popmuzikant blijf ik een nobody.”

Nationaal Jeugdorkest o.l.v. John Adams, concerten op 23 (Nijmegen), 24 (Amsterdam), 25 (Essen, DE) en 27 (Keulen) augustus, Inl. www.muziekzomer.nl en www.earbox.com