‘Wie zijn thema’s begrijpt, gaat slecht schrijven’

‘Het verhaal dat je schrijft moet goed zijn, niet het algemene inzicht dat erachter zit’, zegt Tim Krabbé (Amsterdam, 1943). Sinds het succes van zijn wielerroman De renner uit 1978 grossiert de schrijver en schaker in lezers, vertalingen en verfilmingen. Zijn laatste twee grote romans, Kathy’s dochter en Marte Jacobs gaan over een jeugdliefde, de dood en wat dat later in een mannenleven teweeg brengt. Maar zelf kijkt de schrijver van het Boekenweekgeschenk van 2009 liever niet naar de lange lijnen.

Tim Krabbé Foto’s Vincent Mentzel Tim KRABBE, auteur & schaker. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 1 juli 2008 Mentzel, Vincent

‘U heeft een merkwaardige selectie uit mijn werken meegenomen’ zegt Tim Krabbé als hij ziet wat er uit de tas van de interviewer komt. Hij heeft het over zijn laatste twee romans, het geprezen Kathy’s dochter (2002), het bejubelde Marte Jacobs (2007) en Krabbés debuut De werkelijke moord op Kitty Duisenberg uit 1967, waarin drie broers strijden om hetzelfde meisje – met wie het slecht afloopt.

De boeken hebben veel gemeen: de geschiedenis van een jeugdliefde, beschreven door de ogen van een jongeman die daar vervolgens over gaat schrijven, wat uitloopt op een spel met de werkelijkheid, met de grenzen van feit en fictie. In De werkelijke moord op Kitty Duisenberg gebeurt dat nog plompverloren: na één hoofdstuk neemt de verteller het woord, om een exposé over werkelijkheden en schijnwerkelijkheden te houden.

In Kathy’s dochter gebeurde het echt: Tim Krabbé kreeg een verhouding met de dochter van zijn inmiddels overleden jeugdliefde en constateerde dat zijn eigen literaire thema ‘hereniging in de dood’ hem nu daadwerkelijk overkwam. In Marte Jacobs beschrijft hij hoe de dichter Emile Binenbaum terugdenkt aan het meisje dat hem ooit tot zijn eerste (en beste) gedicht inspireerde, Marte Jacobs. Zij zou later een verhouding krijgen met zijn collega-schrijver Willem Reiff en zelfmoord plegen.

Krabbé, thuis in zijn werkkamer met uitzicht tot ver voorbij het IJ in Amsterdam, is nieuwsgierig en welwillend, maar eigenlijk praat hij niet graag over de thema’s in zijn werk. Of althans: hij vindt dat hij er niet het laatste woord over heeft. Dus beginnen zijn antwoorden vaak met „Is dat zo?” of „Mwah, dat zie ik niet zo”. Het gaat hem om iets anders: „Ik schrijf verhalen. Wat er vervolgens aan thema’s in te vinden is, maakt deel uit van de creativiteit van de lezer. Ik denk dat je onbewust dingen in een boek stopt die waar kunnen zijn. Bij nader inzien heb je het dan zelf bedacht. Bij een lezing gebeurt het mij wel eens dat iemand een opmerking maakt waarover ik dan stamel: vanaf dit moment heb ik het altijd zo bedoeld.”

Ik zie Kathy’s dochter en Marte Jacobs als een tweeluik.

„Een tweeluik? Dat vind ik erg leuk, want dat is nooit bij mij opgekomen. Waarover dan?”

Als twee pogingen om een veronderstelde eerste pure liefde weer dichtbij te krijgen.

„Kathy’s dochter gaat daar inderdaad over, het is bedoeld als autobiografische roman. De hoofdpersoon heet niet voor niets Tim Krabbé. Maar Emile Binenbaum probeert Marte Jacobs toch niet terug te krijgen.”

Zijn voornaamste doel is te weten van wie ze nou méér was, van hem of van Willem Reiff. Aan het eind heeft hij haar toch terugveroverd? Ze is dood vanwege hém, hij heeft zijn concurrent verslagen.

„Zijn interpretatie dat zij van hem was en altijd is geweest blijkt correct. Maar wilde hij haar echt terug? We weten niet zo veel over hem, hij zal ook wel kinderen hebben. Ik heb versies van het boek waarin huwelijken en kinderen genoemd worden, maar die heb ik er allemaal weer uit gehaald. Het enige bestaansrecht van Emile is dat hij iets met Marte heeft. Daarom heb ik hem gemaakt.”

Wat vindt u van hem?

„Emile Binenbaum is een beetje zielige en mislukte dichter. Dat is ook zijn eigen inzicht aan het slot. Hij heeft ooit één goed gedicht geschreven dankzij zijn liefde voor Marte Jacobs, maar eigenlijk had hij geen talent.”

Lijkt u op hem? Of meer op zijn opportunistische concurrent Willem Reiff?

„Ik zal op alle twee wel een beetje lijken, maar ik ben geen van beiden. In ben geen mislukkeling zoals Binenbaum en geen gladde successchrijver zoals Reiff. Zo’n schrijver zou ik niet willen zijn. Ik heb altijd alleen maar datgene geschreven wat ik wilde schrijven. Wel met een verlangen naar succes, zonder het naar me toe te willen halen. Intussen heb ik heel wat exemplaren verkocht. Ik heb ook vrij verschillende boeken geschreven. De renner, Het gouden ei , Vertraging en Marte Jacobs zijn heel anderssoortige boeken.

„Het verschil tussen Reiff en Binenbaum zie je goed als ze het over schrijven hebben. Emile heeft het idee dat het gedicht al bestaat, dat hij het alleen maar hoeft te vinden en afstoffen. Als dat hem is gelukt, dan is het van hem en dan gelooft hij erin, dan heeft hij het gevoel dat hij heeft getoverd. Bij Reiff is het precies omgekeerd. Hij zegt dat hij het gevoel van toveren zou hebben als hij níet geloofde wat hij schreef.”

Tovert u zelf ?

„Soms. Ik heb dat proberen te beschrijven in Het gouden ei. De beste metafoor voor dat gevoel is het componeren van een schaakprobleem. Dat heeft geen maatschappelijke relevantie, amper een publiek en er staat geen financiële vergoeding tegenover. Toch kun je gegrepen worden door een abstract idee dat je per se wilt uitbeelden. Ik ben daar echt verslaafd aan geweest, heb er ook over geschreven in De man die de Babson task wilde maken. Die botte maakdrang bevangt je soms ook bij het schrijven van romans, die maatschappelijke relevantie hebben, in de zin dat je er wat geld mee zult verdienen, dat er lezers zijn.

,,Het heeft ook te maken met mijn liefde voor compositie. Voor een schaakprobleem gelden allerlei concrete eisen. Als een idee kan worden uitgedrukt in drie zetten, dan moet je het niet in vier doen, en als het met twaalf stukken kan, dan moet je het niet met zestien doen. Je ziet soms een knoedel stukken staan, dat lever je zo toch niet in! Die moet je toch afstoffen!”

Is het zo eenvoudig? Componeren en een beetje afstoffen?

„Ik doe wat er volgens mij in de literatuur gedaan moet worden: een goed verhaal verzinnen en dat zo goed mogelijk vertellen. Dat is alles. En als je dat doet, en er schuilt een zekere diepte in je, dan komt die diepte vanzelf wel in de tekst terecht.”

Per ongeluk?

„In goede literatuur kun je vaak thema’s aanwijzen waarvan je zeker weet dat de schrijver ze er niet bewust in heeft gestopt. De avonden gaat over de bezoedeling van de zuiverheid, maar dat wist Van het Reve niet toen hij het schreef. Als schrijvers hun thema’s gaan begrijpen, gaan ze slechte boeken schrijven. Dat zie je in het latere werk van Hermans. Dan is hij niet meer met verhalen bezig, maar met thema’s. Zijn personages worden themakoelies, dat is het ergste wat een schrijver kan overkomen. Je ziet dat vaak bij goede schrijvers, die dan later literatuur gaan bedrijven. En dan gaat het mis.”

In ‘Kathy’s dochter’ schrijft u onomwonden dat u in uw eigen leven werd geconfronteerd met een van de belangrijkste thema’s in uw werk: de hereniging met de geliefde in de dood.

„Ik had wel heel erg blind moeten zijn om dat niet te zien. Ik had het thema, hereniging in de dood, al een paar keer in mijn boeken ontdekt en dan gebeurt het mijzelf. Dat maakte enorme indruk op mij. Een belangrijk element van dat verhaal is dat het echt is gebeurd, daarom heb ik ook besloten de hoofdpersoon Tim Krabbé te noemen. Het is ook waar dat, zoals in het boek staat, ik als 19-jarige een manuscript over die liefde heb geschreven. Dat heb voor de roman gebruikt. Ik zou ook niet in staat zijn, denk ik, om het schrijven van een jongen van 19 aannemelijk in een boek te zetten.”

Nee?

„Nu ja, misschien wel. Wat er nu in het boek staat is een hervertelling. Het manuscript zelf zou ik niet durven tonen, al is de opening van het boek er letterlijk uit afkomstig. Toen die verhouding was geëindigd, dacht ik: nu heb ik een onderwerp en ik heb meteen nadat ik haar de laatste keer had thuisgebracht, de eerste bladzijden geschreven – mijn eerste poging tot een roman. Ik heb het aan uitgevers opgestuurd en kreeg de bekende afwijzingsbriefjes. Met een tweede roman gebeurde hetzelfde, Kitty Duisenberg was de derde.”

U heeft door die afwijzingen de moed niet verloren

,,Kennelijk niet. Ik zal wel gegriefd zijn geweest. Ik wist zeker dat ik schrijver wilde worden, al las ik niet zo heel erg veel. Toen De werkelijke moord op Kitty Duisenberg verscheen, vond ik het fantastisch om gepubliceerd te zijn. En het werd ook goed gerecenseerd en er zijn in de loop der jaren vier, vijf filmers op af gekomen.”

Waarom laat u het niet herdrukken?

„We hebben het wel gehad over een heruitgave van mijn eerste drie romans, dus ook Flanagan en Red desert penitentiary . Misschien doen we dat nog wel eens. Maar ik ben nu een andere schrijver. Je zou heel erg duidelijk moeten maken wat het is, een jeugdwerk van een schrijver die nu bekend is, maar die toen niet op hetzelfde niveau schreef. Ik weet niet of ik, als ik uitgever was, Kitty nu zou uitgeven. Ik weet niet of dat goed zou zijn voor die jongen. Misschien zou ik zeggen: ga nog even door, je moet niet haastig zijn. Maar ik las laatst een interview met mezelf dat werd gemaakt bij de presentatie van Kitty Duisenberg. Daarin zei ik veel dingen waar ik het nog steeds mee eens ben, dingen die te maken hebben met mijn afkeer van experimentele literatuur en voorliefde voor begrijpelijkheid. En mijn voorliefde voor constructie.”

Het boek eindigt met de gedachte dat de moordenaar van Kitty Duisenberg degene is die de strijd om haar gewonnen heeft. Zoals in ‘Marte Jacobs’ Emile Binenbaum zijn concurrent Reiff heeft verslagen als blijkt dat ze om hem een einde aan haar leven heeft gemaakt.

„Ja, u heeft gelijk. Maar u ziet: ik ben niet bezig met zo’n overeenkomst. Ik ben daar ook wel bang voor. Nee, bang is niet het goede woord. Ik ben er gespitst op dat thema’s niet al te zeer terugkomen. Maar misschien is dat bij Marte Jacobs toch weer gebeurd.”

Ik zie ook allemaal jonge mannen op zoek naar een pure liefde.

„Dat zal vast wel zo zijn, maar dat is ook weer een abstract idee waar ik niet veel aan heb. Het gaat om het unieke verhaal waarin dat algemene inzicht tot uiting komt. Dát moet goed zijn, niet dat inzicht.”

U schrijft veel over jonge mensen, over eerste liefdes. U houdt altijd iets jongensachtigs

„Ik zie niet zo’n verschil met wat ik nu denk en toen ik 18 was. Ik heb ook nooit een maatschappelijke carrière gehad. Mijn huwelijk en vaderschap kwamen zo laat dat ook die buiten de geijkte patronen vielen. Nu ben ik weer fanatiek aan het wielrennen. Misschien ben ik ergens stil blijven staan. Maar ik hoef mezelf niet te begrijpen. Ik ben alleen maar materiaal voor mezelf.”

Ik denk dat het geen toeval is.

„Het heeft ook met mijn zoon te maken, die nu 21 is. Mijn liefde voor een kind van veertien zoals ik die beschrijf in Marte Jacobs heeft ook met hem te maken. Marte Jacobs had alleen kunnen ontstaan in een tijd waarin ik intiem was met iemand van die leeftijd.”

U laat uw boeken niet insturen voor de Libris- en AKO-prijs. Waarom niet?

„Mijn boeken haalden jaar na jaar zelfs de longlist niet. Na De grot heb ik besloten de eer aan mezelf te houden. Kennelijk bestaat er een misverstand tussen mij en die jury’s. Of zij zien niet hoe goed ik ben, of ik denk per abuis dat ik goed genoeg ben voor een longlist. Als je je bij wielerwedstrijden keer op keer bij de eerste vijf klasseert, en de jury zet je altijd op de 47ste plaats, dan kom je allicht op het idee om daar niet meer aan mee te doen.”

Voelt u zich alleen miskend door jury’s of ook door de literaire kritiek?

„Nee, ik heb genoeg slechte recensies gehad, maar critici schatten mij redelijk naar waarde.”

En nu bent u gevraagd om het Boekenweekgeschenk te schrijven. Heeft u het idee gehad dat er ook tussen u en de CPNB een misverstand bestond? Ze hadden u ook twintig jaar geleden kunnen vragen.

„De CPNB heeft andere overwegingen dan een jury. Zij hebben een bekende schrijver nodig die een goed boek van die lengte kan schrijven. Er zijn natuurlijk nog meer goede schrijvers in Nederland, maar het verbaasde me niet dat ze zo langzamerhand een keertje bij mij uitkwamen.”

Ik hoorde dat ze ‘Marte Jacobs’ mooi vonden.

„Misschien heeft het boek me in bepaalde kringen salonfähig gemaakt. Het is natuurlijk zo dat er van Marte Jacobs op geen enkele manier een thriller te maken is, dat was iets wat het bekrompen deel van de literaire wereld graag met mijn boeken deed. Maar ik ga mijn tijd niet besteden aan het doen van veronderstellingen over de domheid van anderen. Ik schrijf boeken en men ziet maar.”

Is het Boekenweekgeschenk al af?

„Ik heb beloofd daar nog niets over te zeggen, maar het komt zeker af op het bedoelde moment. Ik heb wel eens een film van de bouw van de Afsluitdijk gezien, gemaakt op het moment dat alle zandzakken op hun plaats liggen en de dijk dus dicht is. Zo ver ben ik al wel. Maar dan moet er nog een weg overheen, er moeten sluizen in en huizen op. Ik heb daar nog ruim de tijd voor.”

Dit is het achtste en laatste deel in een serie zomerinterviews met prominente Nederlandse schrijvers. Voor de gesprekken met Charlotte Mutsaers, Charles den Tex, Joost Zwagerman, Joke van Leeuwen, Kader Abdolah en P.F. Thomése zie nrcboeken.nl

    • Arjen Fortuin