Wat Georgië nodigt heeft, is meer film

Ik heb er nog niet één oorlogsreportage over gezien of gelezen: hoe het nu gaat met een van de meest absurdistische attracties ter wereld, het Stalin-museum in de Georgische stad Gori. Dat bestaat uit het houten geboortehuis van Stalin en zalen met cadeaus van buitenlandse delegaties aan de man die van 1924 tot zijn dood in 1953 de leider van de Sovjet-Unie was, en de bloedigste dictator die de wereld ooit kende.

Vooral die cadeaus, in glazen vitrines, zijn een bezoek waard. Bijna altijd behelzen ze een afbeelding van de begiftigde. Koffiekopjes, vleesschalen, bloemenvazen, een door Arnemuider vissersvrouwen gehaakt kleed – de schenkers hebben hun dankbaarheid jegens de grote leider tot uitdrukking gebracht door hem zijn eigen portret te schenken.

En om een bezoek aan het museum helemaal tot een onwaarschijnlijke middag te maken zijn er de gidsen: dames op leeftijd die in iedere tweede zin benadrukken dat Stalin zo ‘bescheiden’ was, in weerwil van wat de koffiekopjes suggereren. Wanneer aan het eind van de rondleiding Stalins overlijden ter sprake komt, kunnen zij een snik in de stem niet onderdrukken. Daar kan echt geen enkele performance-artiest tegenop.

Georgië is een hartstikke leuk land: het landschap is schilderachtig, elke man heeft een vuurwapen, je kunt er lekker eten. Jammer dat het toerisme sinds de onafhankelijkheid in 1991 nauwelijks op gang is gekomen. Wel begrijpelijk: toerisme gedijt niet onder oorlogen, staatsgrepen en burgeroorlogen en onveiligheid langs de wegen. Niemand kent dus bijna Georgië, en van horen zeggen is het met Stalin, en diens zo mogelijk nog bloediger politiechef Beria, wel ongeveer bekeken.

Er was één uitzondering: tot 1991 kwamen uit de staatsfilmfabriek in Tbilisi, Groezfilm, heel bijzondere films, die zich kenmerkten door een ironische benadering van politiek en geschiedenis, en een heel eigen esthetiek – De Zwemmer van Irakli Kvirikadze uit 1987 bijvoorbeeld. Deze stroom films is sindsdien opgedroogd, uit geldgebrek. Alleen Otar Iosseliani maakt nog wel eens een film, met Frans geld.

Stof genoeg voor ironie, zou je zeggen, in de huidige omstandigheden. Een kleine, provinciale president verklaart een suïcidale oorlog aan het grote Rusland, in de voze overtuiging dat het Westen hem wel te hulp zal schieten. Zegevierende Georgische troepen in Tskhinvali trekken zich binnen 24 uur al terug op de hoofdstad Tbilisi, om vervolgens in het niets op te lossen. Russische eenheden rijden volledig ongehinderd rond, af en toe zelfs welwillend geëscorteerd door Georgische politie.

Ik heb, als in een film, erg genoten van het stadsbestuur van Poti, dat toen de Russen de Georgische vloot wilden vernietigen, aanbood de schepen verder de zee op te varen, teneinde onnodige schade aan de stad te vermijden. Stof voor talrijke films. Als het straks een beetje voorbij is, stel ik voor dat het Westen niet weer naar Georgië wapens en militaire adviseurs stuurt – daar komt alleen maar onheil van, waarbij échte slachtoffers vallen. Camera’s, film, producers, productiefondsen – dat moet er richting Tbilisi. Daar worden wij allemaal beter van.