Sneuvelen voor een leugen

Een Amerikaanse voormalig openbaar aanklager, Vincent Bugliosi, beschuldigt president Bush in een geruchtmakend boek van moord. Maar kan hij het bewijs ook overleggen?

Voordat haar in Irak gesneuvelde man werd begraven, 29 augustus 2005, wilde zijn vrouw Katherine Cathey nog één nacht naast hem slapen en via de laptop hun favoriete liedjes afspelen Foto van Todd Heisler uit diens met de Pulitzer Prize 2006 bekroonde serie ‘Final Salute’ ** This photo is one of the 20 images in Todd Heisler's Final Salute story that was awarded the 2006 Pulitzer Prize for feature photography. The award was announced Monday afternoon April 17, 2006. ** The night before the burial of her husband's body, Katherine Cathey refused to leave the casket, asking to sleep next to his body for the last time. The Marines made a bed for her, tucking in the sheets below the flag. Before she fell asleep, she opened her laptop computer and played songs that reminded her of "Cat," and one of the Marines asked if she wanted them to continue standing watch as she slept. "I think it would be kind of nice if you kept doing it," she said. "I think that's what he would have wanted." (AP Photo/Rocky Mountain News, Todd Heisler) Associated Press

Vincent Bugliosi: The Prosecution of George W. Bush for Murder. Vanguard Press, 341 blz. € 26.95

Scott McClellan: What Happened. Inside the Bush White House and Washington’s Culture of Deception. Public Affairs, 341 blz. € 27.95.

Tim Russert, de dit jaar overleden presentator van het invloedrijke tv-programma Meet the Press, stelde president Bush in februari 2004 de vraag ‘of de oorlog in Irak een oorlog naar keuze of een noodzakelijke oorlog’ was. ‘Een noodzakelijke oorlog’, antwoordde de president. Uit inlichtingen zou volgens hem zijn gebleken dat Saddam Hoessein een bedreiging vormde.

Het was een helder antwoord op een duidelijke vraag, maar de president voelde zich er na afloop onzeker over. Hij wilde daarom van zijn woordvoerder Scott McClellan weten wat Russert met zijn vraag had bedoeld. ‘Dit verbaasde mij’, schrijft McClellan in zijn memoires What Happened: ‘Het onderscheid tussen een noodzakelijke, onvermijdelijke oorlog en een oorlog die de VS hadden kunnen vermijden maar ervoor kozen te voeren, was zo voor de hand liggend dat hij er in de maanden vóór de invasie over moet hebben nagedacht. Voor de president was dat onderscheid klaarblijkelijk niet helder en zijn nationale veiligheidsteam had hem er niet op gewezen. Hij had het beleid al in een vroege fase uitgestippeld en zijn team had zijn aandacht vervolgens gevestigd op de verkoop ervan.’

Toen What Happened eind mei verscheen, deed het veel stof opwaaien. Voor het eerst noemde een insider de oorlog in Irak ‘onnodig’. In het hypergepolariseerde klimaat van politiek en journalistiek was dat van groot belang. Conservatieven konden McClellans boek niet wegzetten als het zoveelste wegwerpproduct van een progressieve defaitist. Er zat niets anders op dan karaktermoord te plegen op de auteur, die van verraad werd beschuldigd. Met de inhoud van What Happened had dat vanzelfsprekend niets te maken. Het boek staat terecht al ruim twee maanden op de bestsellerlijsten.

What Happened is opgedragen aan those who serve, de militairen die – dat maakt McClellan impliciet duidelijk – het slachtoffer zijn (geworden) van de oorlogspropagandacampagne van Bush en zijn naaste medewerkers. In een veel recenter boek over Bush, The Prosecution of George W. Bush for Murder van de voormalige openbare aanklager Vincent Bugliosi dat nu stof doet opwaaien, staan ze ook centraal. In de binnenkaft van het boek zijn de portretten van enkele van de duizenden gesneuvelde Amerikaanse soldaten afgebeeld.

Bugliosi is niet de eerste de beste aanklager. Hij leidde begin jaren zeventig de zaak tegen Charles Manson, de moordenaar van onder anderen actrice Sharon Tate, een zaak waarover hij later de bestseller Helter Skelter schreef. In 2007 publiceerde hij een boek van ruim 1600 bladzijden over de moord op John Kennedy, Reclaiming History: The Assassination of President John F. Kennedy, dat lovend werd ontvangen. Tijd om op zijn lauweren te rusten gunde hij zichzelf daarna niet. In tegenstelling tot de huidige president, wiens riante vakanties Bugliosi allesbehalve kunnen bekoren, begon hij zonder een dag rust te nemen meteen aan zijn volgende boek. Daarin klaagt hij George W. Bush aan voor de massamoord op de ruim 4.000 in Irak gedode Amerikaanse soldaten.

Bugliosi deelt één karaktertrek met Bush: hij houdt niet van verliezen. Hij prijst zichzelf in zijn boek aan als ‘een voormalige openbare aanklager met 21 veroordelingen wegens moord en geen enkele verloren rechtzaak’ op zijn conto, en als een man die de acht keer dat hij in een strafzaak de doodstraf eiste deze ook uitgesproken hoorde worden. Als het aan hem ligt is Bush zijn volgende slachtoffer, zij het voorlopig alleen op papier.

Net als McClellan is Bugliosi ervan overtuigd dat de dreiging die Saddam voor de Verenigde Staten zou vormen, uit de lucht was gegrepen. Zelfverdediging, het enige steekhoudende argument om een oorlog te beginnen, vervalt daarmee. Bush heeft, aldus Bugliosi, ‘de ernstigste misdaad in de geschiedenis van Amerika’ op zijn geweten. Het zou zijn wens, ja, zelfs zijn passie zijn geweest om tegen Irak ten strijde te trekken. De vierduizend Amerikaanse soldaten werden weliswaar voor het overgrote deel gedood door Irakezen, maar net als bij de zaak tegen Manson is de president als conspirator de hoofdschuldige.

McClellan ruimt voor de verkoop van de oorlog een apart hoofdstuk in. Massavernietigingswapens en de dreiging daarvan waren ook volgens hem een excuus, maar de ware reden in dit boek is Bush’ wens om met de inval in Irak zijn eigen reputatie te vestigen. ‘Bedwelmd door de invloed en macht van Amerika’, schrijft McClellan, raakte de president in de ban van ‘de filosofie van de opgedrongen democratie’. De Iraakse bevolking zou deze in praktijk brengen, waarna andere landen in het Midden-Oosten volgens de dominotheorie zouden volgen. ‘Irak zal de wereld veranderen’, aldus Bush, die veronderstelde of wijs was gemaakt dat het land werd bevolkt door ‘moderne, op de toekomst gerichte mensen die naar vrijheid snakken’.

Bugliosi heeft het door de aard van zijn boek moeilijker dan McClellan. De laatste komt weg met zijn overtuiging dat massavernietigingswapens niet de reden vormden voor de inval in Irak, Bugliosi weet dat zijn argument staat of valt met het bewijs voor die stelling, beyond a reasonable doubt. Helaas is het hoofdstuk waarin hij dit bewijs levert, niet het sterkste deel van het boek. Hij besteedt veel aandacht aan een rede van Bush op 7 oktober 2002 in Cincinatti. Daarin maakte de president melding van onbemande vliegtuigen met chemische of biologische wapens die vanuit Irak ‘elk moment’ het Amerikaanse luchtruim zouden kunnen binnenvliegen. Boodschap: Saddam voert de dreiging onaanvaardbaar op. Op datzelfde tijdstip circuleerde volgens Bugliosi echter een openbare brief van de CIA in Washington, een onderdeel van een eerder die maand verschenen geheim rapport, waarin de inlichtingendienst deze dreiging juist ontkende.

De vraag is vanzelfsprekend: wist Bush af van het bestaan van deze brief toen hij zijn rede hield en had hij deze, of zelfs het hele CIA rapport, gelezen? Als hij dit tijdens een kruisverhoor ontkent, schrijft Bugliosi, zet hij zichzelf als ‘een verschrikkelijke leugenaar’ te kijk voor de juryleden, of als de meest onverantwoordelijke Amerikaanse president in de geschiedenis (cursivering MdG). Hiermee geeft Bugliosi prijs dat hij geen waterdicht bewijs heeft tegen de president. Bush kan zich immers op zijn onverantwoordelijke gedrag beroepen om met moord weg te komen.

Net zo kwalijk is het feit dat Bugliosi geen melding maakt van de woorden die de toenmalige directeur van de inlichtingendienst, George Tenet, uitte tijdens een bijeenkomst op het Witte Huis op 21 december 2002. Tenet zei dat de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak een slam dunk was: een soort schot voor open doel. In zijn memoires At the Center of the Storm (Boeken, 17.08.07) beweert Tenet weliswaar dat deze woorden uit hun verband zijn gerukt, maar Bush en zijn medewerkers maakten er later gretig gebruik van als bewijs dat Irak in hun optie wel degelijk een dreiging vormde.

Deze missers maken The Prosecution of George W. Bush for Murder nog niet waardeloos. Integendeel: hoofdstukken over het karakter van Bush, die zich lachend en fietsend door twee oorlogen slaat, en de slappe wijze waarop hij de oorlog tegen het terrorisme heeft gevoerd, zijn bijzonder geslaagd. De president is alom geprezen voor zijn gedrag tussen 9/11 en het begin van de oorlog in Irak. De realiteit staat daar volgens Bugliosi haaks op. Neem de jacht op Osama bin Laden. Zes maanden nadat Bush zwoer dat hij de leider van Al- Qaeda ‘dood of levend’ in handen zou krijgen, zei hij tijdens een persconferentie laconiek: ‘Ik weet niet waar hij is. Weet je, eerlijk gezegd besteed ik niet zoveel aandacht aan hem…Ik maak mij echt niet druk om hem. Ik maakte mij zorgen over hem toen hij een land had overgenomen.’

Het oppakken van Bin Laden had Bush volgens Bugliosi ‘uitbesteed’ aan een Afghaanse stam en aan Pakistaanse soldaten. Amerikaans materiaal en mankracht werden uit Afghanistan teruggetrokken en richting Irak gestuurd. De koortsachtige militaire aanval op Bagdad was volgens McClellan de eerste grote fout van Bush. Zijn tweede grote fout was dat hij de eerste fout niet onder ogen wilde zien, weigerde te overleggen met de Democraten toen de oorlog in Irak vastliep en van koers te veranderen toen de situatie dat vereiste.

Wie de boeken van McClellan en Bugliosi achter elkaar leest, valt nog een kwalijke eigenschap op van dit Witte Huis. Bij een crisis nemen Bush en zijn naaste adviseurs niet het voortouw, maar schuiven zij de verantwoordelijkheden behendig af. In de cruciale maanden voor de terreuraanslagen van 9/11 lieten de CIA en de FBI het volgens oud-veiligheidsadviseur (en de huidige minister van buitenlandse zaken) Condoleezza Rice afweten. Na de natuurramp in New Orleans wilde het Witte Huis de schuld voor de trage en gebrekkige reactie in de schoenen schuiven van de lokale en regionale overheden. Het is een minder dan daadkrachtige, risico mijdende manier van leiding geven, tegenovergesteld aan het resolute imago dat de president en zijn geestverwanten willen uitstralen. Bij het onderzoek naar de oorzaak van de terreuraanslagen kwamen ze er nog mee weg. Nadat de orkaan Katrina New Orleans onder water had gezet was het verschil tussen de boodschap (geruststellend, positief) en de werkelijkheid volgens McClellan te groot. De president die op zijn intuïtie vertrouwde ging genadeloos onderuit. Niet Irak maar Katrina vormt daarom een keerpunt in zijn presidentschap. Na deze dodelijke eerste zomer van zijn tweede termijn was een grote meerderheid van de bevolking definitief op hem uitgekeken. Er waren toen nog ruim drie jaar te gaan. Daarmee is Bush de langst zittende lame duck in de Amerikaanse geschiedenis.

    • Menno de Galan