Ongeremde Nelsons laat KCO langs afgrond razen

Klassiek Robeco Zomerconcert: Kon. Concertgebouw o.l.v. Andris Nelsons. Gehoord: 21/8 Concertgebouw, Amsterdam.

Hij is een Let, 29 jaar en begint deze maand als chef-dirigent in Birmingham, het orkest dat groot werd onder Sir Simon Rattle. Naar verluidt drongen de musici daar na een eerste gastoptreden meteen op aan: geef die jongen een contract en snel! De belangrijke debuten lopen als een rode draad door de agenda van dirigent Andris Nelsons; Wenen, Berlijn, Chicago, Bayreuth in 2010.

Gisteravond maakte Nelsons zijn debuut voor het Concertgebouworkest van zijn mentor en landgenoot Mariss Jansons, onder wiens vleugels hij zes jaar geleden, toen nog werkzaam als zanger en trompettist, met dirigeren begon. En inderdaad: Nelsons is met zijn expressieve mimiek, brede, maar precieze gebaren en overkokende muzikaliteit een sensatie om naar te kijken en te luisteren. Geen wonder dat hij, net als zijn generatiegenoten Gustavo Dudamel en Yannick Nézet-Séguin, nu al is doorgedrongen tot de dirigenten-eredivisie. Maar Nelsons is anders dan zijn leeftijdgenoten; in al zijn professionaliteit ongeremder en daarin op een ontroerende manier jong. Zó oprecht en compromisloos dirigeren, zo op leven en dood – hoe lang houd je dat vol? Nelsons kent zijn zwakte; in een recent interview noemt hij zijn overgave ‘niet gezond’ en het beteugelen van zijn emoties een prioriteit.

Dat dat gisteren niet lukte, maakte Nelsons’ Nederlandse debuut – tevens seizoensopening van het Concertgebouworkest - des te memorabeler. Het programma waarin hij zich presenteerde was niet het gemakkelijkste. Maar Debussy’s Prélude à l’apres-midi d’un faun bezat raffinement en detaillering en in Saint-Saëns toch weinig mysterieuze Tweede pianoconcert leidde de samenwerking met pianist Rafal Blechacz (23), in 2005 winnaar van het prestigieuze Chopin Concours en vorig jaar een grote ontdekking in de serie Meesterpianisten, tot een gedroomd fijnzinnige uitvoering. Blechacz is met zijn onbeperkte virtuositeit en gelaagde dichterlijkheid Nelsons gelijke in topkwaliteit, maar zijn temperament is minder explosief. De wisselwerking tussen markante climaxen en bespiegelende passages die daar het gevolg van was, werkte wonderwel.

Een hoogtepunt was Tsjaikovski’s Zesde symfonie (‘Pathétique’), waarin Nelsons – al snel kletsnat van de transpiratie – het orkest langs verschillende afgronden liet razen. Er klonk pure horror in het openingsdeel, onstuimige energie in het Allegro molto vivace. In de Finale liet hij het orkest met breed uitgesponnen rusten en borende blikken zo diep ploegen in de wanhoopskreten, dat de beklemming bijna ondraaglijk werd.