Newton en Stalin lachten zelden

‘Bill Clinton is zo veel afgevallen, dat hij zijn stagiaire weer kan zien.’ Meer moppen en filosofie in een geschiedenis van de grap.

Saul Steinberg: ‘Voeten op stoel’ (1946) Uit ‘Saul Steinberg: Illuminations’ Steinberg, Saul

Jim Holt: Stop Me if You’ve Heard This. A History and Philosophy of Jokes. Norton, 141 blz. € 7,13

Met humor is hetzelfde aan de hand als met liefde of kunst: ze zijn niet te analyseren. Zoiets waardevols, daarvan mag het geheim niet verklapt worden – als dat al zou kunnen. Want hoe interessanter iets is, hoe minder interessant de filosofie ervan is. Wetten zijn saai maar rechtsfilosofie is heel interessant; en kunst is op zich interessant maar je moet er niet te veel over zaniken.

Dat schrijft Jim Holt in Stop Me if You’ve Heard This, een geschiedenis en filosofie van de grap. Het zal een van de redenen zijn dat hij zijn eigen humoranalyse zo kort heeft gehouden: nog geen honderdvijftig piepkleine paginaatjes. Maar dat had niet per se gehoeven, want Stop Me if You’ve Heard This is een heel grappig boekje geworden. Voor een deel doordat Holt niet de hele tijd over grappen schrijft, maar er zijn verhaal ook rijkelijk mee lardeert. Zoals de grap over de joodse grootmoeder die ziet hoe haar op het strand spelende kleinzoon plotseling door een enórme golf de zee in wordt getrokken. „Alstublieft, God”, bidt ze, „red mijn enige kleinzoon! Breng hem terug!” En weer komt er een enórme golf, nu een die de jongen gezond en wel op het strand zet. Grootmoeder kijkt omhoog, naar de hemel, en roept: „Hij had een hoed op!”

Stop Me is in feite een uit de hand gelopen New Yorker-artikel. Holt was gevraagd iets te schrijven over de geschiedenis van de grap en van moppenverzamelaars, voor een humorthemanummer in april 2004. Hij had verwacht dat hij wel wat bij elkaar kon jatten uit een obscuur gedeelte van de een of andere universiteitsbibliotheek ‘in de beste traditie van pseudo-wetenschappelijke journalistiek’, schrijft hij – maar hij kon niets vinden. Toen hij alles uiteindelijk zelf bij elkaar had gezocht, hield hij kennelijk nog een hoop informatie en interesse over.

Holt begint zijn verhandeling bij de oude Grieken – waar anders. In het oudst gevonden moppenboek, de Philogelos (‘liefhebber van het lachen’) uit de vierde of vijfde eeuw na Christus, stonden dijenkletsers als ‘,,Hoe zal ik uw haar knippen”, vroeg een praatgrage kapper aan een grappenmaker. „In stilte!” ’. Net als andere kunstvormen verdween de mop vervolgens in de westerse (maar niet in de Arabische) wereld eeuwenlang van het toneel, om pas in de Renaissance weer op te duiken.

En wel bij de Italiaanse moppenverzamelaar Poggio Bracciolini, pauselijk secretaris en vader van veertien kinderen bij zijn minnares en zes bij zijn echtgenote, met wie hij trouwde toen hij al 55 was (en zij pas 18). Veel van de grappen in zijn boek Facetia behandelen het aloude thema ‘kwaaltjes van vrouwen duiden erop dat ze te weinig seks krijgen’. Er is eeuwenlang door grappenvertellers en -verzamelaars uit dat boek geput. Dezelfde moppen duiken sowieso door de eeuwen heen in allerlei variaties op. Al verandert er in de loop der jaren wel het een en ander aan: de gewoonte, bijvoorbeeld, om een grap meteen uit te leggen of om de punchline te vroeg weg te geven, is gelukkig verdwenen. Grappen worden steeds terloopser gemaakt.

Holt streeft, in de beste New Yorker-traditie, meer naar anekdotiek dan naar volledigheid of wetenschappelijkheid. Zo leren we in het hoofdstuk over de filosofie van de grap dat Stalin zelden lachte, Spinoza alleen als hij twee spinnen op leven en dood zag vechten, en natuurkundige Isaac Newton slechts eenmaal in zijn leven: toen iemand hem vroeg wat voor nut hij zag in de Elementen van de Oudgriekse wiskundige Euclides. En Wittgenstein schijnt bij de letters ‘WC’ van de Londense postcode op enveloppen graag de aantekening te hebben gemaakt dat hij er geen ‘toilet’ mee bedoelde.

De pseudo-wetenschappelijke opsomming die Holt geeft van verschillende soorten moppen lijkt vooral bedoeld om er eens lekker een aantal te kunnen vertellen. De Jewish American Princess-grap: ‘Waarom houden JAPs van besneden mannen? Ze houden van alles waar twintig procent af is.’ De politieke grap, zoals Reagans definitie van links beleid: ‘If it moves, tax it. If it keeps moving, regulate it. If it stops moving, subsidize it.’ De stoute grap: ‘Bill Clinton is zo veel afgevallen, dat hij zijn stagiaire weer kan zien.’ (In de Los Angeles Times schreef Holt laatst dat veel mensen die grap niet begrijpen. Alles is puur voor wie puur van geest is”, voegde hij eraan toe.)

Maar Holt bereikt met zijn opsomming ook dat je inziet waarom er niet één humortheorie is die al die verschillende soorten grappen kan verklaren. Volgens de ‘superioriteitstheorie’ voelen mensen zich even heel superieur als ze een grap begrijpen – maar superieur waaraan dan bij bijvoorbeeld een woordspeling? Volgens de onder wetenschappers favoriete ‘incongruentie-theorie’ is het grappig als iets beschaafds of logisch plotseling plat of absurd blijkt te zijn. Maar soms is die tegenstelling er niet echt, vindt Holt, zoals in: ‘Man loopt in een café op een vrouw af en vraagt: „Neuken?” „Bij jou of bij mij?”, antwoordt de vrouw. Zegt de man: „Ja, als het een heel gedoe wordt, laat dan maar zitten.” ’

Ook Freud had trouwens ongelijk, zegt Holt: de mensen die het hardst lachen om seksgrappen of ze het gretigst vertellen, zijn, zo blijkt uit psychologisch onderzoek, meestal niet degenen die hun seksuele driften het sterkst onderdrukken.

Misschien is dat het ook wel wat Holts boek zo fijn maakt: hij analyseert ‘de grap’ maar hij komt er niet uit en dat kan hem ook niets schelen. Zo steek je van alles op zonder dat het mooie, mysterieuze uit het concept humor is verdwenen.

    • Ellen de Bruin