Naast de dood

Miniatuur door een volgeling van Jean Bourdichon, ca 1490 mca1280732, Thu Aug 11, 2005, 12:41:04 PM, 16C, 4972x4402, (245+2415), 75%, bent 6 stops, 1/20 s, R59.7, G45.5, B56.2

Mijn buurman kwam me vertellen dat onze overbuurvrouw is overleden. Het verbaasde me niet. Ze had er de laatste tijd bleek uitgezien en hoestte veel. Haar dood viel me zwaar, al had ik haar amper gekend. Elke ochtend passeerde ze mijn raam, op weg naar de markt, en kwam met volle tassen terug, met genoeg voedsel om voor een groot gezin te koken. Voor zover ik weet woonde ze alleen.

Ik had haar wel eens mogen bezoeken. Ik had wel eens kunnen vragen of ik een van haar zware tassen kon dragen. Ik heb nooit een woord met haar gewisseld.

Tot mijn ontsteltenis zag ik haar de dag nadat ze was overleden mijn raam passeren. Alsof er niets was gebeurd, maakte ze haar gebruikelijke speelse handgebaar, alsof ze me een kleine bal toewierp. Ik vergat mijn hand op te heffen. Het bloed zakte uit mijn hoofd en ik wist dat ik nu dichter bij de dood was gekomen dan ooit. Ik had een dode zien lopen. Op klaarlichte dag! Pas veel later drong het tot me door dat ik meerdere overbuurvrouwen had. Ik had de verkeerde dood gedacht.

De dood heeft geen gezicht, stelde ik mezelf gerust. De dood heeft geen uiterlijk, geen vorm. Ik heb het mezelf kunnen doen geloven totdat ik vorige week zaterdag in deze krant zinnen las van dichter en schrijver Erwin Mortier. Naar aanleiding van een aantal doden in zijn directe omgeving schrijft hij in het Hollands Dagboek: ‘Je zou denken dat rouw altijd dezelfde kleur vertoont, hetzelfde boeket verspreidt, maar ze hebben allemaal hun eigen kelken, de doden, en elk verdriet kent blijkbaar zijn eigen gisting, zijn eigen droesem en afdronk’. Het idee dat de doden kelken hebben, als bloemen, is een delicaat beeld, zachter dan ik me de dood ooit had durven voorstellen. De doden lopen met hun kelken rond. Bloemen, maar ook bekers om uit te drinken. Ze bieden de levenden een slok aan.

Ik weiger uit de kelken van de doden te drinken. Ik moet nog 35 worden, en ik moet nog een feest bedenken om dat te vieren. Maar ze zitten me op de hielen, ze zijn opdringerig, de doden. En er is veel dood om me heen. In mijn oude huis, waarin ik voorheen nog levendige geschiedenis zag, zie ik nu dat alle mensen die hier geleefd hebben, dood zijn. Op mijn fiets, een oud krot, rijden de vorige eigenaren mee op weg naar een kantoor in de binnenstad waar ik de doden van een afstand al zie rondhangen.

Mortier probeert aan het slot van het Dagboek een gedicht te schrijven. Er is taal die in hem opwelt en wanneer hij gaat zitten om te schrijven, vloeit er een aantal regels uit zijn pen. Maar hij begint pas echt te schrijven wanneer hij na afloop in het Dagboek noteert dat het niet helemaal gelukt is. ‘Het komt wel. Dichten is wachten naast het woord’, besluit hij.

Ik moet mijn best doen om niet zelfs in deze slotregel de dood te zien opwellen. ‘Leven is wachten naast de dood’ interpreteer ik. Maar leven is ook goed kijken naar wat er naast de dood gebeurt, realiseer ik me, zoals dichten ook kijken is naast het woord. Want de meest verpletterende dichtregel heeft Mortier met zijn slotregel van het Dagboek al geschreven. Daar hebben de doden niet van terug.

    • Maria Barnas